Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uigeu en deu Eider tot de grens van Denemarken zochten te maken (vandaar dat men ze in Duitschland de Eider-Deenen of de Eiderpartij noemde); en de Duitscliers, die beide, Sleeswijk èn Holstein, van Denemarken wilden scheiden.

De Deensche koning, sedert 18-39 Christiaan VIII, wiens kinderlooze broeder de laatste mannelijke afstammeling der regeereude linie was, zocht op allerlei wijzen zijn zin, erkenning van het vrouwelijke erfrecht voor alle landen onder zijn gezag, en dus de vorming eener niet alleen Sleeswijk, maar ook Holstein omvattende monarchie door te zetten; de Duitscliers in de hertogdomuien daarentegen verzetten zich met alle kracht en maakten de zaak der Augustenburgers, die in de uitsluiting van hun geslacht niet wilden berusten, tot de hunne.

De groote mogendheden werden door den koning van Denemarken geraadpleegd en stemden meestal met zijn wenschen in, zoodat hij in 1846 openlijk verklaarde dat Slees wij k-Holstein in geen geval van Denemarken mocht gescheiden worden. Natuurlijk verwekte dit een storm in de hertogdommen, die weldra naar Duitschland oversloeg, waar eene sterke beweging ontstond ten gunste van de opneming ook van Sleeswijk als een Duitsch land in den Bond en van de successie der Augustenburgers in beide lauden. Even natuurlijk ook traden de kleinere Duitsche vorsten voor de laatsten op, omdat dezen het legitieme beginsel vertegenwoordigden, waarop hun eigen souvereiniteitsrechten berustten. Merkwaardig genoeg waren ditmaal de vorsten en de natie het eens, terwijl daarentegen Oostenrijk, hoe ijverig steeds voor legitieme rechten, iu de zaak der Augustenburgers die der revolutie zag en beslist voor den koning van Denemarken partij koos. De overige groote mogendheden volgden dit voorbeeld om verschillende redenen, alleen Pruisen naderde, onder den invloed van nieuwe, ook bij konii.g Frederik Willem IV veldwinnende denkbeelden, de opvatting der natie en der kleine vorsten. De Bond, gedwongen om zich uit te spreken, behielp zich als altijd met een verklaring, welke niemand bevredigde en de minachting, waarin hij vervallen was, niet weinig versterkte.

Koning Christiaan VIII voelde zijn einde naderen en besloot daarom tot een beslissing. Van het bijna autocratisch bestuur, dat hem zoo lief was, zag hij af: hij liet een grondwet, welke voor al zijne landen als één enkelen staat moest gelden, ontwerpen, waarin de Deensche vrouwelijke erfopvolging gewaarborgd werd. \óór hij die echter kon afkondigen stierf hij (20 Januari 1818).

Sluiten