Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar in Galicië stond de Poolsche, katholieke, landbezittende adel tegenover de Ruthenische, meest tot de geünieerde Grieksche kerk behoorende landbevolking, terwijl de Slaven in het zuiden tot een geheel anderen stam behoorden dan de Tschechen en de daarmede verwante volken in het noorden der monarchie.

Tn de groep der Hongaarsclie kroonlanden was de verdeeling wel iets gunstiger, in het eigenlijke Hongarije lmd de Magyaarsche nationaliteit verre het overwicht over de in verschillende streken afzonderlijk , soms echter tusschen de Hongaren in wonende Slaven van verschillenden stam. Tn Zevenbergen waren de 3 stammen, de Hongaren (Szecklers), Duitschers (Saksen) en Roemenen, grootendeels plaatselijk gescheiden; in Kroatië en de zoogenaamde Militaire grenzen waren Kroaten, Slavoniërs en Serviërs met enkele Hongaren gemeusrd. Daar gold echter de Hongaar als de onderdrukker, evenals voor de Slaven in Hongarije zelf, waar het gemis aan staatkundige rechten, die de natie wederrechtelijk onthouden werd, in de oogen der regeering voldoende goedgemaakt werd door het overlaten der landbevolking aan de willekeur der landbezittende edelen.

In het geheel telden de drie groepen ruim 36 millioen inwoners, waarvan bijna de helft op de Oostenrijksche kroonlanden kwamen' bijna 14 millioen op de Hongaarsche en bijna 5 op de Italiaansche landen. Daarentegen was de verhouding der verschillende nationaliteiten ongeveer deze, dat 23 percent der geheele bevolking Duitschers waren, 19 Tschechen, Slowaken en andere Noord-Slaven, 14 Hongaren, 8 Italianen, 8 Ruthenen, 8 Roemenen, 7 Polen. 5 Serviërs, 4 Slovenen en 4 Kroaten. De verspreid wonende joden en Zigeuners zijn onder deze berekening niet afzonderlijk opgenomen, hoewel zij zeker ieder ongeveer twee en een percent uitmaakten.

1 n welvaart waren de deelen der monarchie niet minder verschillend: Oostenrijk was een welvarend, voornamelijk landbouwend land, en 0e dat kon ook gelden van deelen van Hongarije en Boheme, Silezië en Moravië. In de Alpenlanden bestond geen nijverheid, in staat om de karige opbrengst van het grootste gedeelte van den bodem goed te maken; slechts in enkele streken was daar mijnbouw. In een groot gedeelte van Hongarije werd de ontwikkeling evenzeer tegengehouden door de natuur van het land, daar de groote Theissvlakte een onvruchtbaar steppenland was, dat slechts door een zeer werkzame bevolking tot liooger opbrengst kon gedwongen worden. En werkzaam

Geringe conomiache ntwikkeling.

Sluiten