Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was de bevolking allerminst. Grnote steden waren er betrekkelijk weinig in de monarchie; in Hongarije hadden alleen die in het oostelijk deel aan de Uonau de beteekenis, welke men aan een stad pleegt te hechten. Weenen, Praag en Pesth waren de eenige steden, welke grooten invloed uitoefenden op het omliggende land.

Hoewel de monarchie in de Donan een grooten verkeersweg bezat, getuigde het geringe verkeer van de weinige zorgen, die aan de economische belangen werden besteed. Ook de spoorwegaanleg, gedeeltelijk door den staat, gedeeltelijk door particulieren ondernomen, stond niet in verhouding tot de grootte van het gebied. In Boheine en OpperOostenrijk waren al betrekkelijk vroeg paardenspoorwegen aangelegd, en op verschillende punten begon men den bouw van kleine lijntjes. Tn 1840 waren nog maar 426 kilometers in gebruik . in 1845 ruim 1000, maar met gering onderling verband. De Hongaarsche landen en over het geheel het oostelijk deel der monarchie waren er haast geheel van verstoken.

])aar heerschten trouwens toestanden, die kwalijk meer Europeesche konden heeten. Zelfs nu verdient daar nog menige landstreek den naam van Half-Azië, maar in dien tijd was men er niet veel minder ver verwijderd van de beschaafde wereld dan in 1 urkije. De landbevolking verkeerde in een toestand, die niet veel van lijfeigenschap verschilde en elke ontwikkeling belette; en de steden waren bf opeenhoopingen van de plattelandsbevolking zonder eigenlijk stedelijk karakter, bf koloniën, in vroeger eeuwen met eigen Duitsch oi Slavisch recht gesticht, en nog altijd zonder innige gemeenschap met het land. Lu Galicië werd de burgerstand daarenboven voornamelijk vertegenwoordigd door de joden, die den handel grootendeels in handen hadden en de bevolking op dezelfde wijs als in Polen en West-Rusland uitzogen, en dan ook soms evenzeer op schrikkelijke wijs haar haat ondervonden. Herhaalde boerenopstanden en de aanwezigheid van talrijke rooverbenden, die als de natuurlijke beschermers der armen tegen hun verdrukkers golden, toonden hoe ellendig het in al de oostelijke landen gesteld was. De hoogere standen waren er voor een deel zeer beschaafd, althans wat het uitwendige betrof. Een aantal leden der aristocratie trad steeds in staatsdienst en vormde met zijn verwanten een schitterenden kring rondom het hof. De magnaten bezaten zulke ontzaglijk groote bezittingen, dat zij zich als de natuurlijke regeerders van het land aanzagen en hun positie liefst met die der Engelsche aristocratie vergeleken. Een ge-

Sluiten