Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden waarin het verkeerde, getuigde van zijn onverzwakte levenskracht. Dat die bevolking niet welvarender was, dat er hier en daar ergerlijke misstanden bestonden, kon niet vreemd heeteu, als men het verleden in aanmerking nam. Maar sedert de reactie in 1821, zonder andere aanleiding dan de vrees, dat de revolutionnaire beweging het land zou aantasten, was begonnen, werden alle gebreken te recht of te onrecht aan Oostenrijk geweten. De harde druk en de argwaan der regeering, die elk oogenblik tot dwang leidde, werd vergolden met weldra doodelijken haat. Zelfs maatregelen die van de meest welwillende bedoelingen getuigden werden miskend en verkeerd uitgelegd. Natuurlijk, dat dit weder tot harder optreden der regeering leidde. Na 1840 was het een feit, dat het Oostenrijksch gezag er slechts op de bajonetten rustte en dat geen enkele klasse der bevolking, zelts niet de adel en de geestelijkheid, eenige gehechtheid gevoelde aan de dynastie. Deze was evengoed vreemd gebleven aan Milaan, waar zij al sinds drie eeuwen, eerst in haar Spaanschen en daarna in haar Oostenrijkschen tak. had geregeerd, als in Venetië, dat zij, behalve in de weinige jaren tusschen den vrede van CampoFormi en dien van Piessburg, pas sedert 1814 had bezeten. En dat niet alleen in de hoofdsteden, maar ook in die steden waar het Oostenrijksch gezag slechts dat van de Venetiaansche oligarchie had afgelost, zooals Vicenza, Brescia en Bergamo.

In Lombardije en Venetië werd de vreemde heerschappij des te harder gevoeld, daar men er de Fransche slechts onder Italiaanschen naam had gekend en deze er dus het uiterlijk van een vreemde tirannie miste. Het volk had er een tijdlang juist zooveel zelfstandigheid bezeten, dat het er prijs op was beginnen te stellen, en het was er juist opnieuw van beroofd, toen het er aan gewoon begon te raken. Toen was het weder gesteld onder den ouden meester, voor wien men nimmer eenige sympathie had gevoeld en die ook van zijn zijde er nimmer eenige voor zijn Italiaansch bezit had getoond. Er geschiedde van Oostenrijksche zijde ook niets om den Lombarden ^en Venetianen tegemoet te komen: hun taal bleef geëerbiedigd, maar verder gevoelden zij voortdurend dat zij ingelijfd waren bij een vreemden staat over de bergen. Dat was drie eeuwen het lot der Lombarden geweest, en zij hadden het verdragen. Thans echter was dat geduld voorbij. Evenzoo was het bij de oude onderdanen van Sint-Marcus het allermeest natuurlijk de Venetianen zeiven, die roem droegen op een

Sluiten