Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

barsting der revolutie het eenige land, waar men niet met den Oosten rij kschen invloed tevens den druk der regeeriug hoopte af te schudden.

Wanneer iets de Italianen verzoenend ten opzichte van Oostenrijk i had kunnen stemmen, waren het de toestanden in den Kerkdijken Staat. De Oostenrijksche dwingelandij handhaafde ten minste orde en veiligheid, de pauselijke regeering schoot zelfs in dat opzicht tekort. In de Romagna en om Bologna, in de zoogenoemde Legatiën, in de Adriatische kustlanden, de Marken, waar langen tijd alleen de Oostenïijksche of 1'ransehe bezetting de bevolking in toom had gehouden, maar tevens ook het pauselijk wanbestuur had gematigd, was dat het minst merkbaar. Maar overschreed men de Appennijnen, dan bespeurde men overal de verwildering, welke liet gevolg was van economische toestanden waar de pauselijke regeeriug zich nimmer om had bekommerd en aan welker verbetering de weinig talrijke, onontwikkelde en arme bevolking nog minder dacht, omdat zij er van overoude tijden aan gewoon was. Dit gold eigenlijk even goed van de hoofdstad als van het land, want Rome zelf, hoewel sinds langen tijd liet verblijf van kunstenaars en kunstliefhebbers, oudheidkundigen en oudheidminnaars uit alle oorden der wereld, en jaar in jaar uit het doel der reis van talrijke vreemdelingen, droeg nog geheel dat eigenaardig karakter, waar tegenwoordig reeds zooveel trekken van zijn verbleekt of uitgewischt. Dat kwam zeker aan de schilderachtigheid ten goede, en niet ten onrechte gold voor velen, die het Rome van Gregorius XVI gekend hadden, in later dagen de hoofdstad van bet moderne Italië als hopeloos bedorven. Maar voor wie niet nalaten kon den maat stal der algemeene Tjuropeesche beschaving aan te leggen, was de verwaarloozing, waarin stnd en bevolking verkeerden, slechts een ergernis die te grootcr was, naarmate zij sterker afstak tegeu de pracht van het pauselijk hof en zijn omgeving, en tegen den rijkdom der groote adelsfainiliën, der liooge geestelijken en der geestelijke instellingen, uji, hier ten bate en ter verhooging van den luister der kerk een bestaan leidden, waaraan het meestal moeilijk was een anderen naam dan nutteloos te geven. Van alle deelneming aan het bestuur was de bevolking stelselmatig uitgesloten, en de geestelijken, die alle gezag in handen hadden, deden hoogstens iets voor de kerk. maar zorgden meestal uitsluitend voor hun eigen belangen. Voor het materieel welzijn der bevolking werd door hen niets gedaan en elke poging van leeken om

6

ie Kerkelijke Staat.

Sluiten