Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

België.

talrijke Zwitsersclie huurtroepen. Dat ophouden van het "reislaufen , zooals het zich begeven in vreemden krijgsdienst van oudsher werd genoemd, had een uitnemenden invloed op de ordelievendheid en zedelijkheid der bevolking; wie werkelijk in het vaderland den kost niet kon verdienen, verliet het wel, maar alleen om elders te arbeiden, de beste krachten der natie werden niet meer als vroeger (voorloopig wel is waar nog maar ten deele) aan het land onttrokken en bleven beschikbaar voor den arbeid binnenslands.

Met dat al bleef dit nog altijd zwak bevolkt. In 1841 waren er nog maar 22 honderdduizend zielen, waarvan niet minder dan 50 duizend vreemdelingen. Want de aanwas der bevolking was bijzonder langzaam; in het einde der vorige eeuw had die al ruim anderhalf millioen geteld, zelfs zonder de gewesten welke sedert aan het eedgenootschap waren toegevoegd. Zij lag trouwens in den aard van het land, dat behalve daar waar de toenemende nijverheid eeu opeenhooping van bevolking meebrengt, zooals in het canton Ziirich, niet in staat is veel meer menscheu te voeden dan er reeds in de vorige eeuw hun bestaan vonden. De toevloed der vreemdelingen verspreidde wel reeds toen meerdere welvaart, maar toch niet in zulk een groote mate, dat de bevolking van zelf vermeerderde. Het hooggebergte laat nu eenmaal geen groote ontwikkeling in dien zin toe; slechts in enkele streken vergunt het klimaat het verblijf gedurende het geheele jaar. Met dat al behoorde Zwitserland onder de landen, die sedert het einde van het revolutietijdperk het meest waren vooruitgegaan wat welvaart en ontwikkeling betreft.

Yeel meer was dat nog het geval met het jongste lid der MiddenEuropeesche statenmaatschappij, het eerst in 1830 zelfstandig geworden België. Sedert het onder actieve en passieve medewerking der srroote mogendheden een eigen nationaal bestaan had gekregen, had het zich derwijze ontwikkeld, dat het in veler oogen als een modelstaat gold. als een bewijs der voortreffelijkheid der constitutioneele instellingen.

Voor een deel werd dit, terecht waarschijnlijk, toegeschreven aan den koning, die het van de mogendheden had ontvangen. Want Leopold van Saksen-Coburg behoorde onder de bekwaamste mannen vaij zijn tijd; beter dan iemand wist hij zijn plichten en rechten als constitutioneel koning met elkander in overeenstemming te houden en voor de belangen van liet hem toevertrouwde volk te zorgen. De

Sluiten