Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

personenvervoer, zoodat in 1845 het Nederlandsche spoorwegnet (als men die uitdrukking mag bezigen voor de enkele lijntjes die alle van Amsterdam uitgingen) nog maar het vierde bedroeg van dat vaii België. En zoo was het in alle opzichten. Het was alsof het krachtig optreden tegen de Belgische omwenteling alle energie der natie had uitgeput. Van alle landen van Midden-Europa had Nederland toen de minste beteekenis. Hoogstens verschafte zijn koloniaal bezit, welks voortbrengselen de wereld niet missen kou, eenig aanzien. Ook de houten graanhandel en de visscherij waren van eenig belang. En evenzeer de zuivelproductie, waarin toen nog weinig mededinging bestond. Anders was er noch landbouw uoch nijverheid van eenige beteekenis. Nederland hing in die opzichten geheel af van het buitenland. Nog altijd gold het als een zeer rijk land, maar tegenover de groote buitenlandsche beurzen, had die van Amsterdam ook niet meer de oude beteekenis. De geweldige kapitaalproductie der volgende periode, waarin Nederland geen deel nam, was echter nog niet begonnen, en zoo bleef Amsterdam nog een aanzienlijke geldmacht naast Londen en Parijs. In werkelijkheid bestond in Nederland nog veel welvaart, dank zij een aanzienlijk aantal kleine kapitalen, maar bij de geringe energie der bezitters namen die niet toe, terwijl de lagere klassen zelden in de gelegenheid waren tot groote verdiensten. Het was in alle opzichten nog een tijd van stilstand.

Niets was er over van den ouden wedijver met den overzeeschen nabuur, die juist in die dagen zijn over de geheele wereld verspreide bezittingen tot een wereldrijk begon te vereenigen, welks ontwikkeling thans onze aandacht eisclit.

Sluiten