Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Britseh-Indië. Zijn beteekenis voor het Britsche rijk.

Kaner- en Hottentottenbevolking, de onopgeloste bezwaren van de verhouding der kolonie tot de groote militaire Kaffer-staten en tot de voor hun onafhankelijkheid kampende uitgeweken Boereu, die intusschen oostwaarts, al bijna tot den Limpopo waren doorgedrongen.

Oneindig minder bezwaren bracht de kolonisatie van Australië mede. Geruimeu tijd was liet alleen de oostkust van het groote eiland, de kolonie Nieuw-Zuid-Wales, die, zelfs nog in den tijd dat zij een strafkolonie was, de bijna uitsluitend Britsche emigratie scheen aan te trekken, en was de schapenteelt er evenzeer hoofdzaak als zij het eenmaal in het Middeleeuwsche Engeland geweest was. Daarnaast was geruimen tijd \ an Diemensland, dat thans Tasmans naam vereeuwigt, de voornaamste bezitting; de nederzettingen aan de west- en zuidkusten waren onbeteekenend. In Nieuw-Zeeland was in 1848 de kolonisatie nog maar van zeer jongen datum, en niettegenstaande de buiteugemeene aantrekkelijkheid van het land, wegens den krachtigen onafhankelijkheidszin der Maori-stainmen, een gevaarlijke proef. Te samen telden al die jonge koloniën nog geen 400,000 blanken, waarvan bijna drie vierden op Xieuw-Zuid-Wales kwamen, dat, sedert de strafkolonie was opgeheven, een verwonderlijke snelle opkomst beloofde. Men wist nog niet wat het worden zou, als het bestaan van goudmijnen aan den dag zou komen, dat in die dagen zelfs in CJalifornië nog verborgen was.

Zeker, in al die drie landen ontbrak het niet aan bezwaren, maar toch, de toekomst scheen niet duister. Want dat Engeland alle bezwaren te boven zou komen, daar twijfelde niemand aan.

Alleen liidië gat reden tot bezorgdheid. Vooreerst was de regeering van zulk een land met zulk een bevolking door een handelslichaam zoozeer in strijd met de heerschende begrippen, dat de handhaving van dat stelsel voortdurend heviger bestrijding vond. 't Is waar, dat de kroon er hoe langer hoe meer de rechten der Oost-Indische Compagnie beperkte, en dat deze bij de laatste vernieuwing van haar octrooi haar commercieel karakter bijna geheel verloor. Maar met dat al bleel zij toch nog in het bezit, en scheen alleen reeds daardoor een geheele reeks van verbeteringen te worden tegengehouden, welke bij een onmiddellijk bestuur door de kroon, onder controle van het l arlement, waarschijnlijk terstond zouden worden ingevoerd. Want daar de Indische bevolking, hoewel het stelsel van schaamtelooze uitplundering al vóór het einde der vorige eeuw was opgegeven, nog in

Sluiten