Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachten waren, was de regeering blijde, door een schikking met Rusland zich zelve de verplichting op te leggen in Perzië en Afghanistan van tusschenkomst af te zien.

Napiers overwinning op de Beloudsjen bij Miani bevestigde intusschen het gezag der Compagnie aan den Beneden-Indus, en toen de binnenlandsche onlusten in het, sedert den dood van Raudsjet Singh tot anarchie vervallend, rijk der Sikhs voor Engeland gevaarlijk werd, kon daar in 1846 nevens orde ook Engelands oppergezag worden ingevoerd, evenwel niet dan na een veldtocht, die een drietal groote veldslagen noodig had om tot beslissing te komen.

Zoo had het Anglo-Indische rijk zijn grenzen uitgebreid tot aan de natuurlijke grenzen van Indië. Ja, daar de Engelsclien reeds enkele landen aan de overzijde van de golf van Bengalen onder hun macht hadden gebracht, begon het die te overschrijden.

Het telde toen waarschijnlijk ongeveer 140 millioen zielen, waarvan twee derden in het rechtstreeks aan de Compagnie onderworpen gebied en een derde in dat der vasalvorsten, waaronder enkelen, zooals de pus onderworpen vorst van Lahore, de Mahratten-vorsten, die van Oudli en de Nizam van Haiderabad, een van Engelands oudste bondgenooten, nog een zeer aanzienlijke macht bezaten. Geen geringe verantwoordelijkheid waarlijk voor de Engelsche bestuurders, vooral bij het groote verschil in ras, taal, zeden en bovenal godsdienst tusschen de bewoners, niet alleen der verschillende landen, maar zelfs binnen in die landen. Zeker was dit verschil in andere opzichten eeu voordeel; dat geheel Indië gemeene zaak zou maken tegen den vreemden overheerscher was daardoor zoo goed als onmogelijk; maar aan den anderen kant werd daardoor de regelmaat in het bestuur uitermate bemoeilijkt, en liep dat steeds gevaar voor het éene tegen het andere deel der bevolking partij te kiezen, vooral als de ambtenaren niet volkomen op de hoogte hunner taak waren. En onder de Compagnie was dat laatste lang niet altoos het geval. En hoeveel hervormingen ook waren ingevoerd, hoezeer ook de rechten der inlanders waren erkend, b. v. op het bekleedeu van ambten, en hoezeer ook reeds alleen de orde en rechtszekerheid, vooral waar het Europeesch bestuur rechtstreeksch was, de welvaart in vele opzichten deed toenemen, de toestand der Indiërs bleef nog groote bezorgdheid inboezemen aan allen die er zich ernstig mede bezig hielden. De vermeerdering der voortbrenging van het land kwam bovenal aan de Engelsche bezitters.

Sluiten