Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deeleu, die in bonte verwarring dooreen woonden van de Donau tot aan de zuidpunt van den Peloponnesus. Land en bevolking werden de prooi der Turken, de hoofdstad, Constautinopel het laatst. Twee eeuwen lang bedreigde toen de Islam van daar uit de Europeesche wereld, zooals men toen zeide, de christenheid. Eindelijk, in den grooten Turken-oorlog, die met het beleg van Weenen in 1683 begon, werden de Turken weder teruggedreven over de Donau en bleef daar benoorden alleen het tegenwoordige Roemenië onder hun gezag. Zoo was het, onder voortdurendeu strijd, de geheele achttiende eeuw door gebleven, nog eenmaal bestendigd bij den vrede van Adriauopel, welke de Porte de erkenning der Grieksclie onafhankelijkheid oplegde.

In het noordwesten strekte zich het Turksch gebied uit tot aan de i Save, waar de meest tot den Islam overgegane, grootendeels Servische bevolking van Bosnië in haar moeilijk toegankelijk bergland als een bolwerk was tegen Europa. Daaraan grensde oostelijk het reeds sedert het begin der eeuw meer of min feitelijk onafhankelijke christelijke Servië, welks heldhaftige vrijheidsoorlog eindelijk tot autonomie had geleid, hoewel nog altijd een Turksche pacha de citadel van Belgrado bezet hield. Daar beoosten verkeerden de Boelgaren aan beide zijden van den Balkan in een toestand van even volkomen onderwerping aan het Turksch gezag als de uit Grieken, Slaven en AV alachen gemengde bevolking van Macedonië en de Grieken in Roemelië, liet meest zuiver Turksche gewest van het geheele schiereiland. Niet beter hadden het de Thessaliërs, die een tijdlang een hoofdrol in den Griekschen vrijheidsoorlog hadden vervuld, maar ten slotte toch weder ouder het Turksche juk hadden moeten bukken. In al die landen behoorde een goed deel van den grond aan Turken of afstammelingen van tot den Islam bekeerden, die met Turken gelijk stonden. Te zamen met de ambtenaren en soldaten der regeering hielden zij de onder huil gezag wonende christenen onder het juk. Zelfs in Servië ontbraken zij niet. Ook de steden waren voor een goed deel door Turken bewoond. Alleen benoorden de Donau was dit niet het geval. Daarentegen genoten in de woeste bergstreken in het westen de stammen der Albanezen een groote mate van onafhankelijkheid, al was de tijd ook voorbij, dat zij, als in het begin der eeuw onder Ali-Pacha, een bijna zelfstandige macht vormden.

Maar hun Servische buren iu het land der Zwarte Bergen, het kleine volk der Montenegrijnen, handhaafden met onbezweken moed

Iet Turksche rijk.

Sluiten