Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichten aan banden legde. De jonge koning, Otto, een zoon van koning Eodewijk van Heieren, had niet eens den godsdienst met zijn onderdanen gemeen, en zijn Duitsche raadslieden beschouwden weldra de Grieken, bij alle enthousiasme voor het klassieke verleden, als niet veel beter dan een bende roovers en dieven, die van den hoogsten tot den laagsteu de vrijheid volstrekt onwaardig waren. Daarbij kwam de partijstrijd der verschillende hoofdpersonen uit den vrijheidsoorlog en hun aanhangers, die elkander steeds het gezag betwistten, de invloed der Russen, waar vele Grieken nog erger voor vreesden dan voor de Turken, maar die toch nog een sterken aanhang bezaten, de naijver der mogendheden, het door de eeuwenlange dienstbaarheid bedorven volkskarakter, de natuurlijke slimheid en neiging tot bedrog, die den Grieken zelfs in hun besten tijd kenmerkte, en de uiterst geringe beschaving zelfs van de hoogere standen, het wantrouwen des volks jegens de vreemdelingen, en men kan begrijpen met hoeveel bezwaren de regeering te kampen had en hoe moeilijk het ook den meest welgezinden was hier iets goeds te doen. Geen wonder waarlijk, dat de vroeger zoo warme sympathie voor de Grieken merkelijk bekoelde , ja geheel verdween, en dat velen beweerden, dat dit "schandelijk gespuis" (zooals Bilderdijk van hen placht te zeggen) niets gemeen had met de Grieken der klassieke oudheid dan den naam. De waarheid was, dat men bezwaarlijk anders had kunnen verwachten, en dat Griekenland, om zoo te zeggen, moest uitgisten. Te meer. omdat men het de vrijheid in eens gegeven had, en gehandeld had alsof men een kind, dat nog niet eens loopen had geleerd, onmiddellijk een voetreis wilde doen ondernemen.

Het was een grove fout, die Europa in het Oosten onwillekeurig nog vele raaien daarna heeft herhaald. De oplossing der oostersche ([uaestie is er niet gemakkelijker door geworden.

Voor Europa begon reeds in die dagen het Oosten een ander belang te krijgeu dan voorheen. Niet alleen staatkundig, zooals boven al is besproken, en commercieel, maar ook economisch.

Een niet gering gedeelte behoorde tot het oudste gebied der beschaving , waar groote volken hadden geleefd en sporen hadden achtergelaten , welke eerbiedige bewondering wekten, vooral als men bedacht hoeveel geringer hun meesterschap over de natuur was geweest dan die van den hedendaagschen Europeeër. Dat deze met zijn veelzijdige kennis en ondervinding, met zijn energie, die hem de geheele wereld

Nieuwe belangen van Europa in het Oosten.

Sluiten