Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kolonisatie van het westen en de Indianen.

tegenzin van de blanke bevolking tegen handenarbeid algemeen; in Amerika was zij daartoe te talrijk en had zij te veel behoeften.

Vandaar dat de slavenstaten in Amerika niet het schouwspel aanboden van een maatschappij van weinige blanken, die geheel en al leefden van den arbeid van talrijke zwarten, zooals in de meeste plantagekoloniën te aanschouwen was. Ook vormden de plantagebezitters daar geen het land beheerschende aristocratie; natuurlijk echter wel een klasse van wie de overige blankeu min of meer athankelijk waren. Want in het zuiden leefde alles, de handel, de nijverheid, de scheepvaart, van de plantages. Dat gaf aan het geheele zuiden een geheel bijzonder karakter, dat nergens werd weergevonden, noch in Europa, noch in eenige overzeesche Europeesche bezitting, zelfs niet in de Spaansche koloniën in Amerika. Alleen in Brazilië bestonden eènigermate gelijksoortige toestanden.

De laatst opgenomen staten in het zuiden, die aan de golf van Mexico, het nog half Fransche Louisiana, Alabama en Mississippi, begonnen op den duur geheel in dezelfde omstandigheden te verkeeren, maar in de noordelijke slavenstaten Kentucky en lennessee overwoog het getal blanken sterk; daar was het plantagestelsel ook niet de eenige wijs van exploitatie. Daar en in de naburige landen bewesten den Ohio en over den Mississippi was een geheel nieuwe maatschappij ontstaan. De bevolking had er tengevolge der omstandigheden een geheel eigenaardig karakter gekregen, was een krachtig maar ruw ras, dat veel meer dan die der oostelijke staten gewoon was op eigen kracht te vertrouwen, nog veel meer dan deze afkeerig van allen dwang, niet zelden zelfs van dien der eigen wetten. Hoe verder men naar het westen kwam, hoe meer men bemerkte, dat men de grenzen van de beschaving naderde. De kolonisatie had meestal eiken voet gronds moeten veroveren op de oude eigenaars, de Indianen, die met alle middelen zich tegen het binnendringen der blanken hadden verzet en op dood en leven krijg tegen dezen voerden, maar tegen wie ook elk middel, geweld of list, gewettigd heette, zoodat niet alleen de strijd hun vernietiging bedoelde, maar zelfs elke vredelievende aanraking een middel tot vernietiging werd. De bondsregeering zocht vruchteloos in dien ougelijken kamp om het bestaan het recht te handhaven; ten slotte kon zij niet anders doen dan de blanken bijstaan, en of voor en met dezen den oorlog voeren en de Indianen uitroeien, of dezen door verplaatsing naar ver afgelegen

Sluiten