Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het slavenvraagstuk.

gehandhaafd bleef. Maar vaii dien tijd af stonden in de Unie de twee beginselen, van souvereiniteit der afzonderlijke deelen en van souvereiuiteit van het geheel, welke elke federatie plegen te verdeelen (getuige de geschiedenis der Nederlandsche republiek), tegenover elkander.

Het zuiden had altoos de democratische partij voorgestaan en de statensouvereiniteit met grooten ijver verdedigd. Van toen af werd deze tot haar uiterste consequentie volgehouden leer een dogma, dat als het palladium der vrijheid, als een onvervreemdbaar recht werd beschouwd. Dat was het gevolg van den exceptioueelen toestand, waarin het zich bevond, tengevolge van de slavernij, waarop, zooals boven reeds is gezegd, zijn geheele welvaren, ja zijn geheele maatschappelijke toestand rustte.

Reeds in de achttiende eeuw had het vroeger algemeen erkende denkbeeld, dat in de slavernij en zelfs in den slavenhandel geen kwaad stak, in vele landen plaats gemaakt voor de overtuiging, dat het niet geoorloofd was een mensch, anders dan bij wijze van wettig opgelegde straf, de beschikking over zijn persoon te ontnemen. Het eerst waren het de kwakers geweest, welke die leer verkondigd en in praktijk gebracht hadden. Maar later kwamen de beide, overigens vijandige, richtingen in het denken der menschen, het geloovige christendom eu de rationalistische wijsbegeerte, er tegelijk even krachtig tegen op. Dat de slaaf een andere kleur had of van een ander ras was, deed volgens beide niets af tot de meerdere of mindere onrechtmatigheid der slavernij. Integendeel, beider leer stemde daarin overeen, dat ieder mensch van nature, omdat hij mensch was, althans ten opzichte zijner persoonlijke vrijheid, volkomen gelijke rechten bezat.

Dat laatste konden de bewoners der zuidelijke staten niet beamen. De negers en hun afstammelingen, slaaf of vrij, golden hun niet als gelijkwaardig met de blanken , ja met ieder ander ras. Velen hunner zagen in de slavernij den natuurlijken, den eenig mogelijken staat van den neger in een blanke maatschappij. Evenwel waren de meeste zuidelijken in de dagen van den vrijheidsoorlog geen voorstanders van de slavernij der negers op zich zelf. Zij beschouwden die om allerlei, ook economische redenen als nadeelig, zij zagen in het groot aantal der negers een gevaar. Velen noemden de slavernij een vloek, allen eeu, zij liet ook noodzakelijk, kwaad. Want dat het zuiden leefde van den slavenarbeid, niet kon bestaan zonder slaven-

Sluiten