Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs begonnen in sommige streken, aan den Main vooral, boerenoproeren tegen de landheeren. Over het algemeen echter waren het meer woorden dan daden; daar er nergens tegenstand werd geboden, was er geen aanleiding tot strijd, al moest ook menig ambtenaar, die terecht of te onrecht voor een vijand des volks werd aangezien, vluchten of zich verbergen. De beweging kreeg op vele plaatsen een eenigszins belachelijk, ja kinderachtig voorkomen, vooral omdat de revolutionnairen in uiterlijk vertoon behagen schepten en menschen, die altijd als ernstige burgers hadden bekend gestaan, bakkers en slagers, kruideniers en herbergiers, als tooneelroovers uitgedost, tegenover hun overheden, voor wie zij kort te voren niet diep genoeg buigen konden, een hoogen toon aansloegen en als ware Jacobijnen optraden. In de kleine burgerlijke stadjes en de residenties der kleine vorsten had dit revolutiespelen iets zoo komisch, dat niet zelden de deelnemers zeiven later de eersten waren om er over te laehen. De ongekende vrijheid was letterlijk allen naar het hoofd gestegen, het allermeest den journalisten. In matelooze heftigheid kwam de taal der democratische en radicale bladen die der Parijsche ultra's nabij, naar wier model zich hun redacteurs trouwens niet zelden richtten. Eu de volksredenaars, veelal dezelfde mannen, volgden vlijtig het voorbeeld van de pers. Het grappigste was daarbij liet diep ingewortelde kleinburgerlijke esprit de clucher, het lokaal patriotisme en de klassen-, men zou haast zeggen kastengeest, de gehechtheid aan eigen voorrechten, terwijl men die van ieder medeburger opofferen wilde, welke bij elke gelegenheid voor den dag kwamen en tot eindeloos getwist aanleiding gaven. Trouwens, hoe kon het anders bij een volk, dat zoolang met geweld onmondig was gehouden. Maar bij al het komische, dat aan de beweging eigen was, was zij ernstig genoeg, en ieder oogenblik kon de steeds heftiger opgewonden menigte tot daden overslaan. Wel is waar was op allerlei plaatsen, met name in de groote steden, terstond een burgerweer opgericht, maar op deze viel bij allen goeden wil toch weinig te rekenen. Het ergst in de knel zaten de kleine vorsten, die reeds alleen omdat hun gezag niet wel overeen te brengen was met de nationale eenheid, in hun bestaan bedreigd waren. Even als na 1801, toen de saecularisatie en mediatisatie in het oude rijk aan de orde was, aasden zelfs niet zelden naburen, die zelf niet veel beter reden van bestaan hadden, op hun land. Waren zij of hun geslacht niet populair, dan stond hun bestaan bepaald op liet spel.

Sluiten