Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe regeering; een troep bezette het ministerie van binnenlandsche zaken, een andere trok naar het Luxembourg, waar de Uitvoerende Commissie zich gevestigd had. Alles ging veel geregelder dan in Februari, hoewel naar hetzelfde model; de voorbereiding was veel beter. Wist de Nationale Vergadering zich niet te vermannen, dan stond of de zege der revolutionnairen, of een bloedbad te verwachten. Onder die omstandigheden werd nog eenmaal Lamartine de reddeT. Aan het hoofd van een aanzienlijke macht mobiele en nationale garde , die intusschen op het door de menigte verlaten plein bijeen was gekomen, vergezeld van Ledru Rollin, die thans voor goed met de ultra's gebroken had, trok hij spoorslags naar het stadhuis. Tot ieders verwondering vond hij geen tegenstand: de revolutionnaire leiders hadden op zulk een optreden niet gerekend; de menigte was grootendeels ongewapend, alleen haar aantal bood een hindernis, maar eindelijk baanden de nationale garden zich een weg, drongen het stadhuis binnen en namen daar de aanwezige leiders gevangen, die bezig waren een oorlogsverklaring aan Rusland, Oostenrijk en Pruisen op te stellen. In veel korter tijd dan het oproer noodig had gehad, was de regeering weder meester. De menigte ging vreedzaam uiteen en, op enkele punten na, was in Parijs de rust hersteld. Lamartine vierde een triomf als nooit te voren, hoewel hij ditmaal niet eens gesproken had.

De hoofden der clubs, Blanqui en Raspail in de eerste plaats, werden, evenals Barbes en Albert te Vincennes gevangen gehouden, om later wegens hoogverraad tegen de republiek te worden terecht gesteld. Louis Blanc, Ledru Rollin, Caussidière en anderen, die, gedeeltelijk zeker ten onrechte, verdacht werden van met hen te hebben samengespannen, werden vooreerst niet vervolgd, maar Caussidière werd gedwongen zijn ambt neder te leggen, zijn montagnards werden ontbonden en van zijn republikeinsche garde slechts een gedeelte in dienst gehouden. Daarentegen werd den zoo even uit Algerië aangekomeu nieuwen minister van oorlog, generaal Eugèue Cavaignac, het opperbevel in Parijs toevertrouwd en daar een aanzienlijke krijgsmacht bijeen getrokken. Want hoewel de revolutie geheel het onderspit had gedolven, werd het gevaar van een opstand hoe langer hoe dreigender, thans in geheel anderen vorm. Het was geen coup de main meer, geen journée, die de vergadering te vreezen had, maar een open strijd tusschen de arbeiders en de burgerij, de bezitloozen en de bezitters. Geen nieuwe samenzwering der clubs, maar een echte opstand der proletariërs stond

Sluiten