Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uoodig Dahlmann zijn, ons reeds bekende, voor prins Albert bestemde plannen mede te deelen en die in een merkwaardige correspondentie nader te ontvouwen. Hij wees daarin de keizerskroon beslist af, maar eischte bijna even beslist het opperbevel over het Duitsche leger, waarvan hij echter het Pruisische, evenals het Oostenrijksche, volstrekt gescheiden wilde houden. Bij zulk een tegenstand van de zijde, waar hij den meesten steun had meenen te mogen verwachten, zag Dahlmann, hoe vasthoudend ook van karakter, althans voorloopig

van het Pruisische keizerschap af.

Het was nu natuurlijk ook niet mogelijk om, zooals hij en velen met hem hadden geweuscht, den koning van Pruisen voorloopig de leiding der uitvoerende macht in het rijk toe te vertrouwen. Den Bondsdag wilde men niet laten voortbestaan; hij stond buiten alle verbinding met het parlement. Men moest in zijn plaats een andere centrale Duitsche rijksregeering stellen. De radicalen wilden daartoe een commissie uit de vergadering instellen, een soort van Commissie van Algemeen Welzijn, naar het voorbeeld der Fransche Conventie; doch dit plan werd met overgroote meerderheid verworpen. De meesten wenschten of een directorium van drie leden, liefst prinsen, en wel één uit Oostenrijk, één uit Pruisen en één uit een der kleinere staten, of anders drie ministers uit dezelfde landen, of een enkelen bestuurder, een regent of, zooals men toen zeide, een "Reichsverweser".

Terwijl daarover in de Nationale Vergadering en in de commissie, die haar van advies zou dienen, heftig werd gedebatteerd en tegelijk tusschen Gagern en andere invloedrijke mannen met de Oostenrijksche, Pruisische en andere bondsgezanten ijverig werd onderhandeld, kwam het bericht van de ontruiming van Jutland een nieuwen storm verwekken. Dahlmann, die zich meer dan iemand den gans der zaken in Sleeswijk-Holstein aantrok, vreesde dat, als Pruisen daar zoo geïsoleerd bleef, Denemarken zijn wil door zou zetten. Hij bracht dus de zaak in de vergadering, en deze besloot den 9d,'n Juni tot de verklaring, dat de zaak van Sleeswijk binnen den kring harer bevoegdheid lag en dat zij had te zorgen dat de rechten en de eer van Duitschland ook daar behoorlijk werden gehandhaafd. Wilde de vergadering dat teweeg brengen, dan moest zij ten spoedigste een voorloopige algemeene Duitsche rijksregeering oprichten. De Bondsdag toch kon onmogelijk zich met de Sleeswijksche zaak bemoeien, al was 't alleen maar omdat het presideerende lid, Oostenrijk, zich

Sluiten