is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis van onzen tijd sedert 1848

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doordrougeu van het gevoel van aan Duitschland een nieuwe regeering te hebben geschonken, om hierop te letten.

Er was nu een "Centraalgezag" voor het Duitsche rijk. De vraag was echter, hoe dat werken zou. De aartshertog, die persoonlijk onverantwoordelijk was, als elk constitutioneel souverein, benoemde onmiddellijk het verantwoordelijke ministerie, dat hem ter zijde moest staan. Gagern, die begreep dat het er op aankwam Pruisen zooveel mogelijk te ontzien, had gehoopt den pas in Pruisen afgetreden minister Camphausen voor den post van minister-president te winnen, maar deze was allerminst geneigd zich te laten gebruiken door een partij, die alle Duitsche staten, onverschillig of zij klein of groot waren, op denzelfden voet aan het rijksgezag ondergeschikt wilden maken. Zoo duurde het geruhnen tijd eer de vorst van Leiningen, die een halfbroeder van koningin Victoria was, als minister-president optrad. Schmerling, die zelf minister van binnenlandsche zaken was, gaf in het ministerie den toon aan. Hoe weinig werkelijk gezag het "Centraalgezag" eigenlijk bezat, bleek al heel spoedig. De Nationale Vergadering (het Parlement zeide men gewoonlijk) had verklaard dat het gezag had over de gezamenlijke militaire macht der Duitsche staten, maar de verordening van den rijksminister van oorlog, deu Pruisischen generaal Peucker, dat de verschillende regeeringen haar bondscontingenten op twee percent der bevolking harer landen hadden te verhoogen, bleef volstrekt zonder uitwerking. En, nog erger, zijn rondschrijven aan de ministeriën van oorlog der afzonderlijke staten, om op den 6den Augustus den rijksbestuurder door de onder hun gezag staande troepeu te doen huldigen en dezen de Duitsche kokarde (rood, zwart en goud) te doen aannemen, werd slechts in de kleine staten gereedelijk opgevolgd. In Pruisen daarentegen verwekte het een geweldigen storm onder de officieren, die er een beleedig'ng van alle traditiën van het Pruisische leger in zagen. Hun verzet werd natuurlijk door vele liberalen als een bewijs van verregaande bekrompenheid opgevat, daar zij niet konden begrijpen dat Pruisen een levend organisme was, dat even goed recht op een zelfstandig bestaan had als het Duitsche rijk zelf. Zij achtten het slechts een stuk van dat rijk en stelden het gelijk met iederen kleinen staat. Koning Frederik Willem maakte een einde aan het onverkwikkelijk gehaspel, door in een dagorder de verwachting uit de drukken, dat zijn leger zijn plicht zou doen, ook als het op zijn bevel onder het gezag

22