Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De

Oostenrijksche Rykadag

Opheffing der onderdanigheid der boeren.

tember tot stand gekomen nieuwe ministerie, aan de regeering meer kracht bij te zetten, maar de generaal Pfuel, dien hij daartoe had uitverkoren, een even voortreffelijk burger als soldaat (aan zijn uitnemende leiding was de betrekkelijk spoedige onderwerping van den opstand in Posen te danken) was tezen die taak niet opgewassen.

De democraten in de Nationale Vergadering kregen na het Frankfort er oproer een nieuwen steun door den toevloed naar Berlijn van tal van Zuid-Duitsche partijgenooten, die een verblijf te Frankfort gevaarlijk achtten, doch verloren bij het toch in den grond zijns harten innig monarchaal gezinde Pruisische volk hoe langer hoe meer het vertrouwen. Als met blindheid geslagen, tastten zij den koning, die tot nog toe steeds vermeden had in eenig opzicht van den strikt wettigen weg af te wijken, op zijn meest teedere plek aan, door bij de behandeling van de grondwet in den koningstitel de woorden "van Gods genade" te schrappen. Frederik Willem voelde zich diep beleedigd en gaf dit ook openlijk te kennen. Hij verklaarde dat hij het oproer overal, in welken vorm ook, zou straffen en vernietigen.

Het drijven der democraten riep zoodoende van zelf de reactie op. De groote massa der Duitsche bevolking begon hoe langer hoe meer naar rust te verlangen, en de democraten dreven hoe langer hoe sterker naar een algemeene revolutie. Evenals de Fransche revolutionnaireu wilden zij het volk tegen wil en dank repubiikeinsch maken.

Nog veel onzinniger dan te Frankfort of te Berlijn was hun drijven te Weenen. Want in Oostenrijk ontbrak het buiten de hoofdstad eigenlijk geheel aan democratische elementen. Voor een oogenblik mochten al de boeren in de Duitsche landen worden aangelokt door de beloften vau opheffing der onderdanigheid en afschaffing der patrimoniale rechten, maar verder strekten zich hun wenschen niet uit, en waren deze vervuld, dan was het waarschijnlijk dat zij zich aan de beweging zouden onttrekken; zij waren te goed keizerlijk en te goed katholiek om langer met de radicale leiders mede te gaan. Den Slaven was het vooreerst vooral om politieke gelijkstelling met de Duitschers en Hongaren te doen, en zij kozen daarom op den duur eerder partij voor den keizer dan voor diens vijanden, die Oostenrijk wilden doen opgaan in Duitschland of verbrokkelen. Het lot der Tschechische radicalen had hen geleerd dat zij alleen door aansluiting aan het keizerlijk gezag de overmacht vau Duitschers en Hongaren kouden verbreken, zoodra dezen zich tegen dat keizerlijk gezag stelden

Sluiten