Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo stonden de Oostenrijksche of liever Weener democraten vrij wel als een klein troepje op zich zelf. Maar zij leerden daar geen voorzichtigheid door. Integendeel zij juichten, toen zij, in plaats van Pillersdorf en zijn collega's, die toch waarlijk alles gedaan hadden wat zij konden om hun ter wille te zijn, een ministerie kregen, waarin nevens Fiquelmont's opvolger voor buitenlandsclie zaken, Wessenberg, en den onontbeerlijken Latour, door wiens voortdurende zorgen Radetzky in staat was zijn overwinningen te behalen, meestal onbeteekenende ambtenaren zaten, die zich min of meer voor de radicale partij verklaarden. Te Weenen had de Zekerheidscommissie, aan wier hoofd een jonge arts, Fischof, optrad, feitelijk alles te zeggen; de regeering voegde zich naar al haar wenschen, en daarom ontbrak het aan alle aanleiding tot tumult. Zoo keerde in Juni de rust terug en kou er den '22s,l'n Juli de Oostenrijksche Constitueerende Rijksdag door den aartshertog Johan worden geopend. Bijna een vierde der leden waren boeren, sommige van zeer geringe ontwikkeling. Lang niet alle leden verstonden genoeg Duitsch om zich daarin verstaanbaar uit te drukken, maar evenals op het Slavencongres te Praag verstonden de vertegenwoordigers der verschillende Slavische stammen elkander evenmin, en was men wel gedwongen tot het Duitsch zijn toevlucht te nemen, hoewel de meerderheid Slavisch was, tot groote woede der Weener radicalen. De aanhang der laatsten was betrekkelijk zwak vertegenwoordigd.

Het doel, waartoe de vergadering was bijeengeroepen, was het vaststellen der grondwet, maar eer zij daarover kon beraadslagen, moest een ander ontwerp dan de keizerlijke April-coustitutie worden opgesteld. Terwijl een commissie zich hiermede bezig hield, vatte de Rijksdag een andere zaak aan: de afschaffing van de onderdanigheid der boeren aan hun landheeren, met alle aankleve daarvan. Reeds in de derde zitting, den 2691™ Juli, werd daartoe het voorstel gedaan door een jongen afgevaardigde uit Silezië, Kudlich, die nog te Weenen studeerde. Eerst zes weken later werd de strijd daarover beslist; hij had voornamelijk het vraagstuk der schadevergoeding der landheeren tot onderwerp gehad en was met groote heftigheid gevoerd geworden, waarbij de geringe bekwaamheid, of liever de geringe ontwikkeling van vele leden tot de zonderlingste verwarringen leidde en soms, tengevolge van gebrek aan taalkennis, vreemde misverstanden plaats hadden. Den September werd eindelijk de afschaffing der onder-

Sluiten