Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven, maar de Midden- eu Boveu-Rijnlanden en het koninkrijk Saksen boden hun een des te vruchtbaarder bodem. Of zij ten slotte zouden slagen een krachtiger revolutionnaire beweging in het leven te roepen dan tot nu toe, zou vooral afhangen van het resultaat dat hun tegenstanders bereikten. Was dit onbevredigend, dan was er kans, dat althans een deel van het Duitsche volk zich bij hen zou aansluiten.

Hoewel dus vooreerst geen groote volksbewegingen voorkwamen en de orde in Duitsehland niet zoodanig verstoord werd, dat er wapengeweld werd aangewend, was het er ver van af, dat het land het vroeger voor- 1 komen weder terugkreeg. Plaatselijke bewegingen kwamen nog gedurig voor, volksvergaderingen en demonstraties waren aan de orde van den dag, de pers bleef in vele opzichten even bandeloos als in het voorjaar, en de regeeringeu gevoelden zich nog uitermate onzeker en deden al het mogelijke, vooral in de kleine staten, om populair te blijven. Alleen een vergadering als het Duitsche Parlement scheen in staat onder zulke omstandigheden zijn aandacht te blijven schenken aan een zoo diepzinnig onderwerp als de grondrechten van den Duitschen burger. Behalve wanneer interpellatiën over de gebeurtenissen in en buiten het land de beraadslagingen afbraken , bleef het daar voortdurend mede bezig, totdat eindelijk den 19'1"1 October de commissie, welke over het ontwerp der Duitsche grondwet advies zou geven , haar rapport uitbracht. Daar Dahlraann in die commissie den meesten invloed had, las: het voor de hand, dat de groote vraag omtrent de verhouding van Oostenrijk tot het Rijk, onmiddellijk ter sprake kwam. Dahlmann en de zijnen stelden voor, dat het Rijk alle op liet oogenblik tot den Bond behoorende landen zou omvatten. Duitsche landen, die onder eenzelfde regeering met niet-Duitsche vereenigd waren, moesten een geheel afzonderlijke staatsinrichting hebben, die overeenkwam met de Rijkswet, en dus eigenlijk alleen door een personeele unie aan de andere verbonden zijn. Niet zonder eenig recht beweerde Dahlmann dat deze eisch voor Oostenrijk volstrekt niet onaannemelijk was, sedert in Maart de scheiding tusschen de Oosteurijksche en Hongaarsche landen had plaats gehad, want dat hij beantwoordde aan den feitelijken toestand. Toch wist hij zoo goed als ieder ander, dat Oostenrijk in dien eisch niet zou berusten en dat de aanneming er van gelijkstond met uitsluiting van Oostenrijk buiten het Rijk.

Niettegenstaande het heftig verzet der Groot-Duitsche partij, werd dit voorstel reeds den '27October aangenomen: de hopelooze ver¬

stred tussohen Groot-

en KleinDuitschers in het Parlement.

Sluiten