Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Destaatsgrei

van 2 Denembe:

dit oogenblik in functie zijnde ministerie moest aftreden. Daartoe bood de intrekking der wet van 31 Mei een geschikte gelegenheid. Het voorstel daartoe kon niet uitgaan van dezelfde mannen, die de wet hadden ingediend. En van dezen zaten eenigen in het ministerie. Daarenboven Faucher, de minister van binnenlandsche zaken, was wel een reactionnair, maar geen Bonapartist, en ook op den minister van oorlog was niet vast te rekenen. De eisch. de intrekking der wet voor te stellen, werd beantwoord met een verzoek om ontslag, dat onverwijld werd aangenomen.

De opvolgers stonden al gereed; aan het hoofd van het ministerie van oorlog trad generaal Leroy Saint Arnaud.

sp Het ministerie van 26 October was geheel samengesteld met het

r oog op den staatsgreep; hoewel de meeste ministers niet in het complot waren, was het zeker dat geen enkele zich zou verzetten. Daarenboven kwam het alleen op den minister van oorlog aan, omdat deze onmiddellijk over het leger beschikte. Saint Arnaud, een bekwaam officier, maar wiens verleden niet vlekkeloos heette, was opzettelijk uitgekozen om den staatsgreep uit te voeren. Naast hem was de nieuwe prefect van politie, Maupas, het eigenlijke werktuig der samenzweerders. Met de meeste zorg werd alles voorbereid, aan het leger onbepaalde gehoorzaamheid aan elk bevel van den minister ingescherpt; officieren en soldaten werden voortdurend tegen de parlementaire regeering opgezet, met zulk een goed gevolg, dat slechts zeer weinigen in het leger niet bereid waren tot eiken dienst, die door de regeering van hen werd gevergd.

Intusschen werd de intrekking der wet van .31 Mei door den president in een boodschap aan de Nationale Vergadering aanbevolen en daarop ingediend, maar zooals te verwachten was, verworpen. Napoleon had nu de Vergadering op het punt, waar hij haar wilde hebben. Zij had het bij de lagere klassen voor goed verkorven; zij was hopeloos verdeeld en onmachtig, want de linkerzijde (de democraten en socialisten) had zich in deze quaestie bij de regeering gevoegd, en bij de natie in minachting. Zij scheen niets te vermogen dan de regeering belemmeren, terwijl een zeer groot deel der natie juist niets zoozeer verlangde dan een sterke regeering, die orde en veiligheid waarborgde. W ant bijna iedereen geloofde in die dagen aan een de geheele maatschappij in en buiten Frankrijk bedreigend gevaar, aan een groote internationale socialistische samenzwering. Men wist dat in Frankrijk

Sluiten