Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De reactie i Lombardiji

In Augustus 1851 werd het ministerie van alle andere verantwoordelijkheid dan die aan den keizer ontheven, en een half jaar later, 31 December, werd de Maart-grondwet buiten werking gesteld , "Oindat haar beginselen niet in overeenstemming waren met het welzijn van den staat". In de provinciën van het Oostenrijksche keizerrijk zouden instellingen, die met dat welzijn beter strookten, in de plaats treden der algemeene, uit de grondwet des rijks voortkomende , welke tot nog toe hadden gegolden. De staat zelf was een absolute monarchie; zijn deelen, de provinciën, de vroegere landen, hadden echter enkele eigen instellingen , welke golden, in zoover als zij in het belang der monarchie konden heeten.

n In het Lombardisch-Venetiaansche koninkrijk waren, na de vernietiging van alle hoop op verlossing door buitenlaudsche hulp, de gemoederen niet zachter gestemd geworden. Onophoudelijk kwamen tumulten voor, vooral te Milaan; de regeering wist geen beter middel daartegen dan hangen en stokslagen; de vrouwen hadden het voorrecht de laatste binnenshuis te ontvangen, maar werden overigens niet zachter behandeld. Krijgsrechterlijke doodvonnissen werden gedurig uitgevoerd, naar de regeering beweerde, vooral aan deserteurs. Eerst in September werd door Radetzky een amnestie afgekondigd, welke den vluchtelingen den terugkeer openliet, met uitsluiting van 86 der aanzienlijkste en meest bekende Lombarden, maar waarvan een groot gedeelte der ballingen geen gebruik wilde of durfde maken. Maar het gevoeligst hoopte de veldmaarschalk zijn tegenstanders te treffen door verbeurdverklaring of althans tijdelijke inbeslagneming hunner goederen. Volgens sommige Italiaansche schrijvers beliepen die in de jaren 1848—'51 ruim 640 millioen lire (francs). In den zomer van 1850, toen gelil in de Oostenrijksche staatskas bitter noodig was, werd daarenboven in het koninkrijk een «vrijwillige" leening van 120 millioen uitgeschreven, onder bedreiging van gedwongen heffing , als zij niet spoedig genoeg volteekend was. Tegelijkertijd werd de grondbelasting met 50 pCt. verhoogd. En dat alles gebeurde in een land, dat de naweeën van den oorlog van 1848 nog geenszins te boven was, waar de staat van beleg in de steden en het scherpe politietoezicht (welks kosten de gemeenten afzonderlijk aan den staat moesten vergoeden!) het verkeer uiterst bemoeilijkten. Het sprak van zelf, dat op die wijze nergens eenige maatschappelijke verbetering te bespeuren was, dat ook de lagere klassen even toegankelijk bleven voor den opruienden invloed der steeds

Sluiten