Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sedert het tractaat van Berlijn, van 10 Juli 1849. waren tussclieu Pruisen als gevolmachtigde van Duitschland (een eer die Oostenrijk het gaarne overliet) en Denemarken nieuwe onderhandelingen aangeknoopt, waarbij Engeland, als de officieele middelaar, en Rusland, als de ongeroepen maar niet afwijsbare raadgever, hun medewerking verleenden. Frederik Willem was ook hier met de beste bedoelingen bezield, maar zijn vredesvoorslagen vonden nergens instemming, allerminst bij zijn Russischen zwager. Dezen was door zijn positie als hoofd van een tak van het Oldenburgsche huis, waartoe ook dat van Sleeswijk-Holstein en Denemarken behoorde, zeker recht verschaft om zich hier te doen gelden. Hij was toch al slecht te spreken over Frederik Willems toegeven aan wat hij revolutionnaire begrippen achtte, zooals de volksvertegenwoordiging in de Unie. Er verliep bijna een jaar, en nog was men geen stap verder gekomen.

Intusschen had Oostenrijk den Bondsdag opnieuw in liet leven aeroepen en was het begonnen tegen Pruisen eeu bijna dreigende taal te voeren, ja zelfs, naar men te Berlijn vernam, krijgstoerustingen in liolieme te maken, welk voorbeeld in Beieren gevolgd werd. Daartegen begon ook de Pruisische regeeriug aanstalten tot verdediging te maken. Een oorlog, hoe weinig ook door een der partijen gewenscht, scheen voor de deur te staan. Het kwam Frederik Willem van liet' uiterste gewicht voor, onder zulke omstandigheden met Rusland tot overeenstemming te geraken en daarom besloot hij zijn broeder, den prins van Pruisen, naar Warschau te zenden, waar Nicolaas een tijd lang zijn zomer-residentie had opgeslagen, oin dezen over de bedoelingen van Pruisen beter in te lichten. Maar zoomin op het punt van Sleeswij k-Holstein, als op dat van de Duitsche aangelegenheden vond de prins eenige tegemoetkoming bij een vorst, die zich niet kon begrijpen, dat zijn zwager zich niet geheel en al bevrijdde van alle constitutioneele banden en die zich zelfs bereid verklaarde om daartoe 111 Pruisen en Duitschland op gelijke wijs de hand te leenen als hij in Hongarije had gedaan. De keizer eischte zelfs volledige onderwerping van Sleeswij k-Holstein aan Denemarken; zoo Pruisen die niet durfde bewerken, dan stelde hij zijn eigen leger daartoe beschikbaar; wilde men ook dat niet, welnu dan was het de plicht van den Duitschen Bond, om zijn medelid voor Holsteiu, den koning van Denemarken, in zijn wettig gezag te herstellen.

Om niet alles tegelijk op het spel te zetten in een strijd, waarbij,

Sluiten