Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loosstelling afstand te doen. Ook het Engelsche ministerie wenschte dit tot stand gebracht te zien en maakte daarvan de eindregeling op een conferentie van gevolmachtigden der groote mogendheden en in het geschil betrokken staten afhankelijk. De onderhandelingen daarover, in het begin van 1851 begonnen en grootendeels door Bismarck als Pruisische gezant op den Bondsdag gevoerd, duurden tot April 1852. Eerst toen nam het hoofd der linie, hertog Ghristiaan, het üeensche aaubod onder zekere voorwaarden aan, voor zich en zijn familie, maar zijn zoons onthielden zich.

Nauwelijks had het Engelsche kabinet hiervan bericht ontvangen, of het riep de gezanten der groote mogendheden en van Zweden en Denemarken bijeen otn, zooals afgesproken was, door een conferentieprotocol het Üeensch-Sleeswijk-Holsteinsche erfopvolgings-vraagstuk voor goed te beslissen. Op den 89,en Mei 1852 werd door de gevolmachtigden der groote mogendheden en Zweden en Denemarken een oorkonde geteekend, waarin de integriteit van den gemeenschappelijken Deenschen staat voor een zaak van algemeen belang en diensvolgens de opvolging in den manstam van prins Ghristiaan van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Gliicksburg door de deelnemende mogendheden werd erkend, zonder dat in de verhouding van Holstein en Lauenburg tot Denemarken verandering werd gebracht. Van de verhouding van Sleeswijk tot Denemarken en Holstein werd niet gerept.

Pruisen had lang geweigerd toe te treden, wanneer niet ook de Duitsche Bond in de zaak gekend was. Daartegen had zich vooral Rusland, onder de hand door Oostenrijk gesteund, heftig verzet. Evenals de Engelsche, meenden de Russische staatslieden, en misschien niet geheel ten onrechte, dat bij de bestaande stemming in Duitschland zelfs de Oostenrijksche en Pruisische druk niet in staat zou zijn om een bindend bondsbesluit ter erkenning van het protocol uit te lokken. Eerst door in liet geschil tusschen Frederik Willem en Zwitserland over de rechten van het Eedgenootschap op het door den eersten bezeten vorstendom Neuchatel de rechten des konings te erkennen, gelukte het, dezen zijn, trouwens hopeloozen tegenstand te doen opgeven. Zoo geschiedde het, dat de wereld meenen kon dat de Slees wij k-Holsteinsche quaestie goed en wel begraven was, terwijl daarvoor toch de twee noodzakelijke voorwaarden ontbraken, welke Pruisen vroeger er voor gesteld had, de t'ormeele erkenning van alle Augustenburgers en de medewerking van den Bond, d. w. z. van het lichaam,

Sluiten