Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king, welke bijna uitsluitend van landbouw en vee- (vooral varkens-) teelt leefde. De verhuizing naar Boelgarije en Roemelië van de spaliis (de meest uit tot den Islam overgegane Serviërs bestaande grondbezitters) voor en tijdens den opstand, had het land aan de Servische boeren overgelaten, die het nu vrij bezaten en niets zoozeer verafschuwden dan het denkbeeld van weder onder het Turksche juk te geraken. Zij waren een gevaarlijk voorbeeld voor hun oostelijke buren, de Boelgaren, die nog altoos onder het juk zuchtten. Deze hadden veel minder kans op bijstand van Rusland of Oostenrijk, al beweerden de Russen ook dat de vrede van Koetschoek Kainardsje van 1774 hun een zeker recht van tusscheukoinst ten opzichte van alle den Griekschen godsdienst belijdende onderdanen des sultans had ingeruimd. Want de rechtmatigheid dezer aanspraak was zeer de vraag, en de hooge geestelijkheid des lauds, die niet Boelgaarsch, maar Grieksch en van Gonstautinopel afhankelijk was, was er geenszins mede iugenomen. De Boelgaren waren daarenboven geheel wapenloos en de groote vruchtbare vlakten, die het grootste gedeelte van hun land uitmaakten, leenden zich volstrekt niet tot een volkskrijg; alleen in de zuidelijke en oostelijke streken, in den eigenlijken Balkan, huisden sedert lang benden heidoeken, de gevreesde Boelgaarsche roovers. In het laatst der achttiende eeuw had een der meesters van het land, de pascha van VViddin, Paswan Ogloe, zich onafhankelijk gemaakt en tot aan zijn dood in 1807 aan het hoofd eener uit Mohammedanen en Christenen samengestelde krijgsmacht zich gehandhaafd, wat een zwaren schok toebracht aan het prestige van den sultan. Na zijn dood keerde alles echter tot den ouden toestand terug. De Boelgaarsche boeren bleven de meest onderworpenen der rajalis; de spahis, hier meestal zuiver Turksche leengoedbezitters, de veelal Turksche bevolking der steden en de talrijke garnizoenen hielden hen onder strengen tucht, en eerst de oorlog van 1828 en '29. waarin de Russen den Balkan overtrokken, deed ook bij hen de hoop op bevrijding ontwaken.

Aan de overzijde van den Donau waren de beide Roemeensche gewesten, Moldavië en Walachije, van oudsher in het genot van een zekere mate van zelfbestuur en godsdienstvrijheid geweest. Turken woonden hier niet, behalve in de steden aan den Donau, die trouwens tot de provinciën aan de overzijde werden gerekend. Het gezag werd er uitgeoefend door "hospodars", die de sultan placht te kiezen uit de zoo-

Sluiten