Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genaamde Phaiiarioteii, aanzienlijke Grieken uit de Gonstantinopolitaansche voorstad Phanar, die hun meest in de betrekkingen met de Europeesche staten aan de Porte bewezen diensten beloond zagen door vorstelijken rang en onbeperkte willekeur tegenover hun onderdanen, zoolang dit aan hun meester behaagde. Griekscli was ook de hooge geestelijkheid even als elders in het rijk , zoodat de landskerk wel orthodox als de bevolking, maar niet nationaal was. De bevolking bestond uit twee klassen, den grondbezittenden bojaren-adel, waaronder een aantal Grieksche of met Grieken verwante familiën, en de meest in banden van hoorigheid levende boeren. Beide stonden op zeer lagen trap van ontwikkeling Eerst met het einde der achttiende eeuw begon de algemeene Europeesche beschaving, evenals in de naburige Poolsche landeu in Fransche vormen, eenigen toegang te vinden in het land. Tegelijkertijd ontwaakte bij enkelen het bewustzijn van eigen nationaliteit, vooral in tegenstelling van de Grieken. Het geloof aan de Romeinsche afstamming der Roemenen begon veld te winnen en wortel te schieten. De taalverwantschap met de Ijatijnsche volken was te ontwijfelbaar om niet, te recht of te onrecht, die daaruit af te leiden. Evenals bij de Slaven, in 't bijzonder de Serviërs, de herinnering aan liet groote rijk van Stephan Doeschan, kwam bij de Roemenen die aan Michael den Dappere en, wat haast nog meer zeide, aan Trajanus op, en aan de verovering en kolonisatie van Dacië door de Romeinen. Het was liet begin van het ontwaken van een volk.

De politieke toestanden werkten daartoe mede.

De hospodars, die dezelfde verplichtingen hadden als de pascha's der andere gewesten, verdrukten meestal beide klassen gelijkelijk en zogen het land stelselmatig uit. Zoo bleef de verdrukking, al was het er een door geloofsgenooten, en zoo was "t geen wonder dat de in den loop der laatste helft der achttiende en het begin der negentiende eeuw in de herhaalde, langdurige oorlogen periodiek wordende bezetting der landen door de Russen minder als een verlossing van het Turksche juk werd aangezien, dan als een verandering van druk. De vrede van Boekarest in 1812 en het, in 1826, den toen tengevolge der vernietiging der Jauitsaren bijna wapenloozen sultan door de Russen afgedwongen traktaat van Akkerman, hadden den toestand der vorstendommen in zoover veranderd, dat de Turksche invloed hoe langer hoe meer afnam, de Russische hoe langer hoe grooter werd.

In 1829, bij den vrede van Adrianopel, werd de eerste bijna ge-

Sluiten