Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het jaar van de afschaffing der koreuwetten had aan Engeland het rijk van Randsjet Singh overgeleverd. Maar de toenmalige regeering was, allerminst geneigd dat groote gebied met zijn bijna 5 millioen zielen aan het, in veler oogen toch al overgroote, bezit der Compagnie toe te voegen. Bij het verdrag van Lahore, van 9 Maart 1846, werd de raad der hoofden, de Doerbar, die regeerde voor den door de Engelschen als wettigen vorst gekozen omnondigeu maharadsja Dolab Singh, een aangenomen zoon van Randsjet Singh, gedwongen ongeveer de helft van het gebied af te staan; het land beoosten den Satledsje aan Engeland, het geheele noordelijke bergland, met het oppergezag over den vasalstaat Kashmir inkluis, aan den aanzienlijksten onder de hoofden der Engelsch-gezinde partij, Golab Singh. De laatste ontving dit land alleen in leen, en wel tegen betaling van een enorme oorlogschatting. De regeering te Lahore bleef daarentegen in naam souverein, maar onder toezicht der Engelschen, die vooreerst ook Lahore bezet hielden, totdat het leger, dat zoo verwoed tegen de Engelschen gestreden had, zou zijn afgedankt en door nieuwe troepen vervangen. Op deze wijs dacht men te Calcutta voldoende tegen een herleving der overmacht van de groote militaire hoofden in den Pendschab gewaarborgd te zijn. Het opperbestuur der Compagnie, uitteraard niet oorlogzuchtig gezind, meende thans eindelijk een tijdperk van vrede tegemoet te gaan. Een aantal bezuinigingen werden op zijn bevel ingevoerd, eeu niet gering aantal inlandsche soldaten werd afgedankt. Maar reeds voor lord Hardinge, onder wiens gouverneur-generaalschap de oorlog vau 1845 en '46 was gevoerd en de laatste veranderingen hadden plaats gehad, het oppergezag aan graaf Dalhousie had overgedragen, ontstonden moeilijkheden tengevolge van pogingen van enkele hoofden om Golab Singh's pas gevestigd gezag te ondermijnen. Evenwel, de rust bleef in den Pendschab en ook in Kashmir bewaard. In Maart 1848 echter kostte eeu poging om den van outrouw verdachten gouverneur van de sterke vesting Moeltan, in het zuiden des lands, af te zetten, het leven aan de beide daarmede door den Engelschen resident te Lahore belaste ambtenaren, niet zonder verraad van hun inlandsch escorte. De gouverneur verklaarde zich daarop openlijk tegen de Engelschen, en de beweging breidde zich uit, zoowel in andere Mohammedaansche streken als ook in die waar de bewouers de leer van Nanah beleden of Brahma vereerden. Een jong, maar bijzonder energiek officier, luitenant Edwardes, had toen een

36

Britsch-IndiS Annexatie randen Pendschab, Fegoe en Audh.

Sluiten