Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakte weldra aan alle werken des vredes in Indië een einde. Eerst toen Engeland dien te boven was gekomen, kon met kracht de hand worden geslagen aan den aanleg van het nieuwe verkeersmiddel, dat door tal van inlanders niet minder vijandig werd aangezien, dan in dezen tijd in China het geval is. Want niets sprak zoo sterk tot de verbeelding der oostersche volken, niets gaf zoo zichtbaar blijk van de macht der westersche beschaving, van geen ander product dier beschaving was het nut en voordeel zoo in het oog loopend. Geen wonder dat zoowel vijanden als vrienden van de spoorwegen, meer dan van iets anders, daarvan een algeheelen omkeer der oostersche oude maatschappij verwachtten.

Het grondgebied der Compagnie was door de annexatie van den Pendschab met ruim 250,000 vierkante kilometers vergroot, waarop toen, naar schatting, 3 millioen menschen woonden. Het duurde niet lang of aan de tegenovergestelde, oostelijke zijde van Indië kreec dat gebied een andere vergrooting, welke vooral beteekenis had voor de toekomst.

Het Birmahnsche rijk, het rijk van Ava, zooals de Engelschen het veelal naar de hoofdstad noemden, in iiet westelijk gedeelte van AchterIndië, was altijd een lastige buurman geweest, zoowel voor de Compagnie als voor de andere rijken van het oostelijke Aziatische schiereiland. Bij den vrede van Yandabo (waarmede in het jaar 1826 de eerste Birmahneu-oorlog besloten werd), had het niet alleen alle aanspraken op Assam en de naburige staten aan Engeland moeten afstaan, maar ook het oude rijk van Arrakan, aan de westkust, en de provincie Tenasserira, die het Maleische schiereiland aan het continent verbindt. Daarenboven had het een handelsverdrag moeten sluiten, dat de haven van Rangoen voor de Engelschen geopend hield. Maar de Birmahnen, hoewel zich inwendig van de superioriteit der Engelschen wel bewust, konden niet laten het dezen op allerlei punten lastig te maken, den kooplieden zoowel als den zendelingen en bovenal hun christen-bekeerlingen in de binnenlanden. Want de daar nog in zeer primitieve toestanden levende stammen, meestal van geheel ander ras dan het heerschende Birmahnenvolk, werden door dit met groote minachting behandeld, en zagen in de blanken, vooral in de zendelingen natuurlijke beschermers. De laatsten zagen hun werk onder hen met veel meer vrucht bekroond, dan onder de meer beschaafde bevolking. Voortdurend viel beleediging van residenten en andere

Sluiten