Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engelschen in Rangoen en omstreken voor, totdat eindelijk zelfs het diplomatiek verkeer afgebroken werd. In 1851 eischte Dalhousie voldoening en volledig herstel van het traktaat. Toen het geweigerd werd, werden alle Binnahnsche havens geblokkeerd en kort daarna Rangoen met storm ingenomen. Nergens wisten de Birmahnsche vestingen eenigen voldoenden tegenstand te bieden, zoomin Bassein, dat den westelijken arm van den Irawaddy beheerschte, als Prome, dat den toegang tot Ava, de toenmalige hoofdstad van het rijk, afsloot. Wanneer de Eugelsche regeering gewild had, had zij dan ook het geheele rijk gemakkelijk kunnen veroveren. Maar zij vergenoegde zich met het in bezit nemen der provincie Pegoe en van den benedenloop en den delta van den Irawaddy (December 1852), een verovering, waarin de koning van Birmah een half jaar later berustte. Merkwaardig was de gemakkelijkheid waarmede de Engelschen ditmaal hun overwinning behaalden, vooral vergeleken met de bezwaren van den oorlog van voor vijfentwintig jaar. Zij bewees in de eerste plaats hoeveel beter hun toerustingen, vooral hun transportmiddelen waren, maar tevens hoezeer de inwendige ontbinding van het Birmahnsche rijk was toegenomen ; de bevolking werd het ontzaglijk slechte en willekeurige bestuur, dat ten slotte allen drukte en uitputte, meer en meer moede.

De prijs was den oorlog wel waard, want Pegoe was niet minder dan Arrakan een uitermate vruchtbaar gebied, welks hoofdproduct, de rijst, in zulke hoeveelheden werd verbouwd, dat die voldoende waren om in tijden van slechte oogsten Britsch-Indië van voedsel te voorzien, als daar althans de behoorlijke voorzorgen voor werden genomen. Evenals de Pendschab, wierp ook dit nieuwe gebied spoedig groote financieele voordeelen af, terwijl de kosten van het bestuur, wegens de geringe militaire macht, die er moest onderhouden worden, betrekkelijk gering waren.

Nog veel minder bezwaar had een derde, uiterst gewichtige vergrooting van grondgebied, waarmede Dalhousie zijn loopbaan als gouverneur-generaal besloot. In de laatste helft der achttiende eeuw hadden zich de viziers van Audh, het rijke land dat ten noordoosten van het centrum van het groote Mongolenrijk gelegen was, zoo goed als onafhankelijk gemaakt van den Padishah, en de erfelijkheid van hun ambt verkregen. In 1819 had de Engelsche regeering hun vergund den sultanstitel aan te nemen en ze, zooals zoo velen hunner standgenooten, als souvereine, door verdragen aan Engeland nauw ver-

Sluiten