Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleiding om zich door de Russische aanbiedingen bevredigd te verklaren, maar ook aan de Duitsche iniddenstaten, die door Oostenrijk tot medewerking waren uitgenoodigd. Dat veroorzaakte tusschen de Oostenrijksche diplomatie en de te Bamberg bijeengekomen conferentie der vertegenwoordigers van de middenstaten moeilijkheden, die Pruisens verdere medewerking vrij onwaarschijnlijk maakten. Oostenrijk echter zou zeker niet van een nadere verbintenis met de zeemogendheden zijn teruggehouden, wanneer niet de Russen eerst in Juni den Dobroedscha hadden ontruimd en daarop ook aanstalten hadden gemaakt om Walachije en ten slotte ook Moldavië te verlaten. Daardoor werd elk vijandig optreden overbodig. Door een conventie met Turkije verzekerde Oostenrijk zich nu het recht van deze landen mede te bezetten, en in Augustus kon, na den terugtocht der Russen over den Proeth, daaraan gevolg worden gegeven.

Oostenrijk had zijn zin. Het had het in zijn macht Rusland den toegang tot lurkije te beletten, ja zelfs, door zelf de vorstendommen te bezetten, den oorlog van zijn grenzen verwijderd te houden. Maar het had tevens voor goed met Rusland gebroken, dat de ondankbaarheid nimmer vergaf, waarmede het den in 1849 betoonden bijstand had vergolden. De tijd was niet zoo ver meer dat Oostenrijk de gevolgen daarvan zou ondervinden.

Voor de eerste opname der naar het Oosten bestemde Fransche en Engelsche troepen was het schiereiland van Gallipoli, de oude Thracische Chersouesus, bestemd geworden. Langzamerhand kwamen zij er in den loop van April aan, in den tijd, dat de verovering van den Dobroedscha en het beleg van Silistria, bij de onvoldoendheid der bij Schoemla geconcentreerde Turksche strijdkrachten, de vrees had doen ontstaan, dat de Russen wel binnenkort den Balkan zouden kunnen bereiken, ja overtrekken en tot Adrianopel doordringen. Bij de zeer onvoldoende transport- en uitrustingsmiddelen der bondgenooten en het volkomen gebrek aan alle benoodigdheden in Turkije, hadden de Fransche en Engelsche soldaten veel te kampen met bezwaren van allerlei aard, terwijl het lang duurde eer de aanvoerders voldoende op de hoogte waren om een vast plan te vormen, en het nog langer duurde eer dat kon worden uitgevoerd. Het gevolg was, dat de bondgenooten eerst in Juni de massa hunner strijdkrachten, 30,000 Franschenen 20,000 Engelschen, te Varna, aan de Zwarte zee, vereeuigden. Van daar uit bedreigden

Eerste ondernemingen der bondgenooten te land en ter

see.

Sluiten