Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen dwingen. Hoe langer hoe meer gold alle liberalisme hem als revolutionnair, en alle revolutie was, in zijn oogen, uit den booze. Reeds de verplichting om voor het eeuwig heil zijner onderdanen te zorgen, dwong hem ze tegen eiken dergelijken invloed te beschermen. Zoo zonk weldra het land terug in denzelfden toestand, waarin het voor Pius" troonsbestijging had verkeerd. De bij het motu proprio van 1849 beloofde instellingen werden maar gedeeltelijk ingevoerd en dan nog op een wijze, die volstrekt niet overeenkomstig de verwachting was. Sommige behoorden nog in 1853 tot de vrome wenschen, andere waren bij de invoering zoodanig toegepast, dat zij zoo goed als geen verbetering waren; de verschillende corporaties, aan welke het toezicht op de financiën van staat, provincie en gemeente heetten opgedragen, stonden zelf geheel en al onder het toezicht der pauselijke regeering, der geestelijkheid en der politie; haar leden werden steeds door de eerste uit lijsten gekozen, welke vooraf door de kerkelijke en wereldlijke overheid waren goedgekeurd. Zelfs de werkzaamheid der consulta, der algemeene landsvertegenwoordiging, die ook op dergelijke wijs tot stand kwam, was van zoo goed als geen beteekenis. De financiën bleken er niet beter door te worden, want het duurde soms jaren, eer zij eenige mededeeling over de inkomsten en uitgaven te zien kregen.

Trouwens alles ging in Rome langzaam; in 1854 werden nog vonnissen geveld betreffende de gebeurtenissen van 1849; bij die gelegenheid werd onder anderen de met Garibaldi uit Rome getrokken en door de Oostenrijkers doodgeschoten volksleider Ciceruacchio bij afwezigheid (!) ter dood veroordeeld. En terwijl in Napels koning Ferdiuand geen doodvonnis liet uitvoeren, was in Rome het ambt van den beul geen sinecure. Wat het gevangeniswezen betrof, konden echter beide landen wedijveren, en politieke gevangenen hadden 't in beide haast slechter dan de ergste misdadigers.

Van verbetering van wegen of van bouw van spoorwegen kon natuurlijk geen sprake zijn; al het geld moest besteed worden aan het leger (dat met dat al in spreekwoordelijk slechten toestand bleef), de politie, de talrijke, maar zeer slecht betaalde ambtenaren en het onderhoud der Oosteurijksche troepen in Bologna, de Romagna en de Marken; de Franschen binnen Rome en in enkele andere plaatsen werden door hun eigen gouvernement betaald, het pauselijke had ze slechts onder dak te brengen. Dat deed ze echter door de bevolking niet veel gemakkelijker verdragen, want hun aanwezigheid bleef de eerste

Sluiten