Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een bewind, zoo reactionnair als men slechts kon begeeren. 't Was alsof de dagen na den staatsgreep waren teruggekeerd. De generaal Espinasse, die zich reeds bij dezen had doen kennen als een man die nergens voor stond, werd minister van binuenlandsche zaken met bijna onbeperkte macht tegenover de, in werkelijkheid niet bestaande, belagers van het welzijn van den staat. Want Orsini's complot was geheel alleen het werk van hem zeiven en van eenige in Engeland uitgeweken Fransche revolutionnairen, en had hoegenaamd geen vertakkingen binnenslands. Toch achtte Espinasse het noodig den prefecten aan te schrijven, een zeker aantal personen in elk departement te doen gevangen nemen, in evenredigheid met het cijfer der bevolking; in het geheel waren het ongeveer 2000. De keuze werd aan de prefecten overgelaten. De minister wees niemand aan. Dat behoefde trouwens ook niet. Want het was hem met dezen ongehoorden maatregel, die, wat willekeur en domheid aangaat, haast alles overtrof wat door de Jacobijnen in hun besten tijd was gedaan, alleen te doen om schrik te verspreiden. En dat gelukte dan ook werkelijk. Tn het jaar 1858 scheen het met alle vrijheid in Frankrijk voor goed gedaan. Niemand wist toen, dat de keizer begonnen was een algeheelen ommekeer in zijn buitenlandsche staatkunde voor te bereiden. En nog minder vermoedde iemand, dat dientengevolge een ommekeer in de binuenlandsche staatkunde voor de deur stond. Dat Napoleon, de hand reikende aan de revolutie, onmogelijk de bedwinger der revolutie kon blijven, was zeker een gevolgtrekking die voor de hand lag. Maar zelf maakte hij die gevolgtrekking waarschijnlijk niet. Blind voor de gevolgen betrad hij zijn nieuwen weg. De sphinx aan de Seine gaf in de eerste plaats zich zelf raadselen op. De onbepaaldheid zijner politieke plannen, welke hem telkens nieuwe combinatiën deed ontwerpen, verhoogde in die dagen zijn prestige. Slechts weinigen waren in staat hem te doorzien; te begrijpen dat hij eigenlijk zich meer liet leiden door de omstandigheden, door de indrukken van het oogenblik, dan dat hij vaste plannen had. En daarom boezemde hij, wiens macht onweerstaanbaar scheen, aan de wereld een geweldigen eerbied, of nog liever een geweldigen angst in. Niet weinigen bleven nog altijd even bevreesd voor zijn overval, als eenmaal Frederik Willem IY was geweest. Zelfs zoo helderziende staatslieden als prins Albert en zijn oom, koning Leopold van België, zagen steeds met bezorgdheid naar Frankrijk en achtten de onberekenbaarheid van den keizer het grootste gevaar voor Europa.

Sluiten