Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oostenrijk onder bet ministerie BuolBaoh.

zitting van den vorst van Hohenzollern-Sigmaringen, op. De "nieuwe tijd" was voor Pruisen begonnen.

Wat Schwarzeuberg had tot stand gebracht, was in zeker opzicht de verwezenlijking van het ideaal van Jozeph tl. De Oostenrijksche monarchie feitelijk één staat, rechtstreeks van uit Weenen geregeerd. De uitvoerder van dat denkbeeld, de minister Alexander Bacil, was dan ook evenzeer als zijn leider, wat men in Oostenrijk een Jozephinist noemde, zelfs een liberaal op zijn wijze, d. w. z. een aanhanger van zeer moderne, uit de revolutie van 1789 als 't ware geboren denkbeelden, die tot aan 1848 zich tegenover den ouden toestand zeer vijandig had uitgelaten en daarop met het constitutioneele ministerie in den herfst van dat jaar den overgang tot het absolutisme had medegemaakt en zich eng aan Schwarzeuberg had aangesloten. Maar naast hem was graaf Leo ïhun als minister van eeredienst en onderwijs opgetreden , een ijverig clericaal, die alleen in een nauwe verbinding van den Staat met de Kerk heil zag en, bij alle absolutisme, de kenmerkende J ozephnistische begrippen, welke de onderwerping van elk kerkelijk gezag aan dat van den staat bedoelden, volstrekt veroordeelde.

Maar de behoefte om de onderdanen tot volstrekte gehoorzaamheid te dwingen was veel te groot in de oogen van Schwarzenberg, om niet over deze inconsequentie heen te stappen. Zoo ontstond nu een stelsel van wereldlijken en geestelijken dwang, veel sterker dan ooit in Oostenrijk sedert de zeventiende eeuw gezien was. Maar de Kerk eischte meer dan de bevoegdheid om onder toezicht van de wereldlijke overheid den onderdaan tot gehoorzaamheid te dwingen. Zij eischte vrijheid en zelfstandigheid en daarom afschaffing van het toezicht , dat de Jozefinische wetten haar hadden opgelegd. De keizer en het hof waren te goed katholiek om zich te verzetten. Schwarzenberg was dood. Buol was volstrekt geen man om een vaste richting aan de staatkunde te geven en hield zich uitsluitend bezig met de leiding der buitenlandsche zaken; hij liet aan Thun volle vrijheid van handelen. Bach had geen gezag genoeg om zich te durven verzetten. Zoo kwam in 1855 een concordaat tot stand, dat wel evenzeer den Oostenrijkschen onderdanen alle vrijheid op geestelijk gebied ontnam, als zij die reeds op wereldlijk gebied misten, maar dat daarenboven de geestelijkheid in vele gevallen aan het staatsgezag onttrok, terwijl het haar een zeer grooten invloed op het burgerlijk leven en met name

Sluiten