Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zeer aanzienlijk aandeel in het gezag over het onderwijs toekende. De rechten van wie niet tot de katholieke Kerk behoorden werden op allerlei wijzen beperkt, met name ten opzichte van huwelijk en kinderopvoeding. Hoewel de uitoefening van een anderen godsdienst niet kou verboden wordeu, zooals het concordaat in Spanje voorschreef, zoo was het Oostenrijksche toch een nog grooter triomf voor de clericale partij. Te zamen oefenden Staat en Kerk voortaan een geweldigen druk op de inwoners uit, maar de Staat had haast alle gezag over de Kerk verloren, die in Oostenrijk voortaan een zelfstandigheid bezat, zooals in geen ander katholiek land. Trouwens, het eerste artikel van het concordaat schreef voor, dat de katholieke godsdienst voor altijd alle rechten en voorrechten behield, welke hem volgens de goddelijke wet en het kanoniek recht toekwamen. Dat sloot zoo goed als elk toezicht uit. De Kerk had zelf te bepalen wat binnen haar gebied viel, want zij alleen was bevoegd de wet uit te leggen.

De reactie had nu haar hoogsten triomf behaald; niet alleen het werk van 1848, maar ook dat van Jozeph II scheen te niet gedaan.

Intusschen begonnen de gevolgen van het handhaven van een stelsel, dat bet op de been houden van een groot leger vereischte, zich meer en meer te doen gevoelen. De begrootingen sloten elk jaar met aanzienlijke vermoedelijke tekorten, oudere rekeningen met nog veel grooter wezenlijke. Het staatscrediet begon geducht te lijden, leeningen waren niet dan op de onvoordeeligste voorwaarden te sluiten. Aan de buitenlandsche moeilijkheden scheen geen einde te zullen komen en aan bondgenooten ontbrak het. De Italiaansche toestanden boezemden ongerustheid in; de Duitsche waren wel niet verontrustend, maar onzeker; de verhouding tot Pruisen was koel geworden, zelfs vóór Frederik Willem IV het gezag neerlegde; de kleinere staten waren wel geneigd zich aan Oostenrijk te houden, maar geenszins dat onvoorwaardelijk te volgen; de toestand in het Balkan-schiereiland, met name in de vorstendommen, was allerminst zooals Oostenrijk wenschte; Ruslaud gaf onverholen zijn weinig vriendschappelijke gezindheid te kennen; Frankrijk werd als een natuurlijke vijand aangezien en Engelands vriendschap had geringe waarde. De hulpbronnen der monarchie waren uitgeput; de belastingen konden moeilijk hooger worden opgevoerd. Eu liet ontbrak overal aan bekwame mannen; in de meeste takken van bestuur waren groote misbruiken ingeslopen. Materieele vooruitgang was weinig te bemerken in een land, waar de grootgrond-

Sluiten