Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denemarken en de hertogdommen na het Londensche protocol

(

waren er weinige. Onder voortdurenden inwendigen voortuitgang bleven beide landen uiterlijk nog in den ouden toestand. Kerst in de volgende periode kwam de veraudering.

In den Skandinavischen zusterstaat Denemarken bestonden geheel andere toestanden. Het volksleven werd daar in vele opzichten beheerscht door den staatkundigen toestand. En die staatkundige toestand werd op zijn beurt beheerscht door de verbinding met de hertogdommen.

Ik behoef wel niet te herinneren dat het niet alleen koning Frederik VII was, die in 1852 op de Londensche conferentie, door bemiddeling der Europeesche diplomatie, over zijn tegenstanders had getriomfeerd. De Deensche natie was met hart en ziel met hem medegegaan in den strijd tegen Duitschland. Maar nu werd het anders. Frederik VII was het er om te doen zoowel Denemarken als de drie hertogdommen te houden en aan zijn erfgenamen, de Glücksburgers, na te laten; de Deensche natie wilde niets liever dan van Holstein en Lauenburg ontslagen zijn. Daarenboven was Frederik YII even weinig liberaal als de meeste koningen van dien tijd, terwijl men in Denemarken aan de natie een grooter invloed op de staatszaken wilde toegekend zien. Vandaar dat er in de jaren na het Londensche protocol van 1852 een verwarring van denkbeelden bestond in de Deensche monarchie (indien de vereeniging van het koninkrijk met de hertogdommen zoo genoemd kon worden), welke den toch al moeilijken toestand nog lastiger maakte. Frederik VIT had in zijn manifest van 28 Januari 1852 verklaard of liever moeten verklaren, dat hij Sleeswijk nimmer bij Denemarken zou inlijven. Daarom moest hij, zoowel in Denemarken als in de hertogdommen, nieu we instellingen in het leven roepen en daartoe de noodige voorstellen doen, in de hertogdommen aan de standen, in het koninkrijk aan den Oeenschen landdag.

Die voorstellen vielen niet in goede aarde; in de hertogdommen vonden zij hevig verzet, maar de regeering, geleid door den conservatieven minister Bang, kondigde de nieuwe wetten eenvoudig af. In Denemarken weigerde de landdag in de voor den gewijzigden toestand noodige veranderingen in de constitutie toe te stemmen. De koning beproefde hetzelfde te doen als in de hertogdommen en begiftigde in Juli 1854 zijn staten met een kroonraad van 80 leden, welke zeer eigenaardig was samengesteld, nl. uit 20 leden die door den koning waren benoemd, 30 aangewezen door den Deenschen landdag en de

Sluiten