Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongere zuster Natal in die dagen zeer de aandacht door haar snelle ontwikkeling. De eerste had eindelijk haar wensch naar het verkrijgen eener vertegenwoordiging, al was het dan ook niet niet een daaraan verantwoordelijke regeering, vervuld gezien. Tot groote voldoening der Engelschen werden er de banden met Nederland hoe langer hoe losser. Het Engelsch begon meer en meer veld te winnen als de beschaafde taal, het Kaapsch-Hollandsch werd een dialect, dat alleen goed werd geacht voor den omgang met de op "de veld" verspreid wonende Boeren en de Kaffers en Hotten totten. Langzamerhand hoopte men de Kapenaren wel geheel Engelsch te maken. Velen lieten hun kinderen reeds in Engeland opvoeden. Het in Nederland studeeren werd al zeldzamer. Alleen de immigratie uit Engeland was niet zoo sterk als wel gewenscht werd en bleef vooral tot dé steden beperkt. De stichting van militaire koloniën, waartoe na den Ivrimoorlog besloten was (men hoopte vele manschappen der ontbonden vreemdenlegioenen daarvoor te kunnen aanwerven), leverde zeer weinig op. Maar overigens was de toeneming der welvaart zoo zichtbaar, dat men in Engeland een kolonie, die men niet missen wilde, maar veelal eenigszins als een lastpost beschouwde, meer en meer begon te waardeeren.

Dat dergelijke waardeering der Australische koloniën in zeer ruime mate te beurt viel, sedert de ontdekking der goudvelden behoeft geen betoog. Voorbeeldeloos snel steeg er de bevolking; uitgebreide streken, wier vruchtbaarheid alle verwachtingen overtrof, werden jaarlijks aan de wildernis ontrukt, de goudvelden waren wei het groote middel om de landverhuizing aan te trekken, maar de bloei der koloniën berustte op beter grondslag.

In den beginne hadden de goudvelden een bijna volkomen desorganisatie in sommige streken, met name in Victoria, tengevolge. De beambten, met name die der politie, verlieten hier en daar in massa hun post, om zelf goud te gaan zoeken, terwijl de kosten voor de veiligheid, en vooral voor de noodige wegen en voor de stoombooten op de rivieren, verre de winsten overtroffen, welke de regeering trok uit de rechten die de goudzoekers moesten betalen. De sqwatters, de grondbezitters, die in het parlement der kolonie zaten, waren natuurlijk niet geneigd dat verlies te dragen, te minder daar de gravers de rechten zoo slecht betaalden. Wat nog erger was, de laatsten weigerden ten slotte volstandig eenige rechten te betalen, tenzij zij stemrecht kregen. In 1854 sloegen de gravers tot open verzet over; zij ver-

Sluiten