Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen echter in het najaar van 1857 de tijd kwam om den ontzaglijk vermeerderden invoer te betalen, kon dit niet geschieden met den liaast even ontzaglijk verminderden uitvoer, maar was er geld noodig. En tegen de nu ontstaande behoefte aan geld was zelfs de opbrengst der Californische mijnen niet opgewassen. Weldra was er bijna geen goud meer in Amerika te krijgen. En toen kwam op eenmaal de paniek. Bijna alle zaken waren de laatste maanden met verlies gedreven, vooral de spoorwegen in het Westen, die geen vrachten meer hadden, sedert de uitvoer van koren had opgehouden. En in de spoorwegen en landerijen in het Westen had men op groote schaal gespeculeerd, particulieren zoowel als financieele instellingen. En van deze laatste niet alleen de banken, maar ook vele andere crediet-maatschappijen, wier werkkring dat eigenlijk geheel buitensloot, met name de in Amerika zeer ontwikkelde levensverzekerings-maatschappijen, die het in het laatst veel voordeeliger hadden gevonden haar kapitaal tot dergelijke speculaties aan te wenden en er bankierszaken mede te doen, dan het voor haar eigenlijk doel te gebruiken. Met deze begon dan ook het algemeene failliet, de krach, zou men een tiental jaren later gezegd hebben. Het begon in Ohio en verbreidde zich terstond over de noordoostelijke staten. Het eene huis volgde op het andere. De fabrieken hadden geen geld en geen werk meer; men rekende dat in 6 weken tijds 30,000 werklieden werkeloos werden. Met sommige spoorwegen gebeurde hetzelfde; er was nergens meer geld aanwezig. Tevergeefs betaalde de regeering, die veel geld in kas had, dadelijk alle leveranties met klinkende munt. Het was een druppel in den oceaan; weldra kon geen bank meer aan haar verplichtingen voldoen; er volgde een algemeen bankroet. Alle geldswaardig papier ging 80 b, 90 percent achteruit; voor het plaatsen van wissels moest soms een rente van 2'/2 pCt. in de maand betaald worden. In October bereikte de crisis haar hoogtepunt. Toen dreigden ook de New-Yorksche banken te bezwijken, die tot nog toe, door haar kapitaal zooveel mogelijk uit den handel te trekken, wel zich zelf hadden staande gehouden, maar den handel hulpeloos hadden gelaten, en scheen een wijziging der New-Yorksche bankwet het eenige middel om den algemeenen ondergang te voorkomen. Uit Engeland, waarheen de crisis juist was overgeslagen, was geen bijstand te wachten, en de bankroeten namen toe. Men rekent dat er in 1857 meer dan 6000 waren, waarvan 750 bedriegelijke, waar niets van terecht kwam. De aandeelhouders, vooral

Sluiten