Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geval geweest), maar ook dan het overal elders was. Doch al kreeg het Boeddhisme in China een Chineeseh karakter, het bleef een vreemd element, geen dat in China zelf te huis behoorde. Zoover wij na kannen gaan, echter het eenige. Van de andere volken om hen heen, hebben zij niets overgenomen, ten minste niet in den historischen tijd, ook niet als die volken hen aan hun gezag onderwierpen, zooals dat eerst in de 13e eeuw de Mongolen hebben gedaan, en later in het midden der 17e de Mandschoe-Tartaren.

Integendeel, hun overwinnaars zijn Chineezen geworden, alleen in zooverre niet, als de oude Chineezen ze als vreemde onderdrukkers zijn blijven beschouwen en ze, als zij konden, ook als zoodanig hebben behandeld en als een niet nationaal-element hebben uitgestooten en vernietigd.

Dat buitengewoon krachtig nationaliteitsgevoel is bij iedere botsing met een vreemde macht aan den dag gekomen, zoowel bij de wanhopige worstelingen met de Mongolen en met de Mandschoe's, als ook bij eiken strijd met de Europeesche machten. Zelfs de tijd schijnt daarin geen verandering te kunnen brengen. Noch den Mongolen, noch den Mandschoe's heeft het gebaat, dat zij eeuwen achtereen in China heerschten en het volk, zoover wij kunnen nagaan, niet slechter behandelden dan de nationale dynastieën. De haat stierf niet uit. De vervanging der Mongolen-dynastie door die der Ming is eihet bewijs van; het telkens herlevend verzet tegen de Mandschoe's niet minder. En hoewel de Chineezen sedert twee menschengeslachten proefondervindelijk geleerd hebben, dat zij tegen de Europeërs niet bestand zijn, de overtuiging, dat zij zei ven veel hooger staan, blijft even vast geworteld. Zelfs langdurig verblijf in den vreemde schijnt den Chinees, hoe ontwikkeld hij overigens als individu moge zijn, niet van standpunt te kunnen doen veranderen. Noch de emigratie naar Amerika en Australië, welke sedert het midden der eeuw begon, noch de veel oudere naar den Archipel schijnt eenigen invloed te hebben uitgeoefend, al kwamen vele emigranten ook terug.

Natuurlijk, dat bij zulk een stijf vasthouden aan het eigen nationale, de Christelijke zending weinig gevolg heeft gehad, en dat zelfs de Islam slechts in enkele zuidelijke provinciën van het ontzaglijke rijk is binnengedrongen en vasten voet heeft gevat. Toch is bij den opstand der Mohamtnedaansche Chineezen, die in het jaar 1852 begon, gebleken hoe diep de kloof was, welke het godsdienstverschil tusschen dezen en de andere Chineezen gegraven had, en schijnen Christelijke

Sluiten