Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

De oude Egyptenaars dooi- Herodotus geschetst. De Nijl en zijne overstroomingen De oud-Egyptische Staat, het ideaal der voorstanders van de absolute koningsmacht, van de aristocratie en van het gildewezen. De koningen door Gods genade. Goddelijke eer, den koningen bewezen. De pracht van het koninklijk hof- Uiterst lastig hofceremoniëel. Koning Amasis een vrijgeest. Het volksgericht over de koningen De kaste der krijgslieden. De Priesters. De heilige hoeken. Wijze van procedeeren voor een Egyptisch gerechtshof. De strafwetten der Egyptenaars Het dievengild. Het sprookje van den slimmen dief.

De aardrijkskundige ligging van een land, zijn klimaat en de gesteldheid van zijn bodem oefenen een beslissenden invloed op de beschaving zijner bewoners uit. Zoo ontwikkelde zich dan ook in Egypte, tengevolge van den hoogst eigenaardigen toestand, waarin de bewoners van dit land verkeerden, reeds in overoude dagen een staatkundig, burgerlijk en zedelijk leven, dat in alle opzichten hemelsbreed verschilde van dat der overige volken der oude wereld. Herodotus schetst ons dit met levendige trekken:

»Nu heb ik nog breedvoerig over Egypte te spreken, dewijl bet veel meer wonderen bevat dan ieder ander land en, in vergelijking daarmede, ons buitengewone werken te zien geeft. Daarom moet hierover wat meer gezegd worden.

De Egyptenaars hebben, behalve dat hij ben de gesteldheid des hemels eigenaardig is en dat hun stroom een van alle overige rivieren verschillend karakter vertoont, ook in hunne meeste zeden en gebruiken juist het omgekeerde ingevoerd van 'tgeen men bij de overige menschen aantreft.

De vrouwen gaan daar op de markt om handel te drijven; de mannen daarentegen houden zich in huis bij bet weefgetouw op. Nu weven alle menschen zóó, dat zij staande den inslag van boven af aanbrengen; maar de Egyptenaars brengen zittende den inslag van onderen aan.

Zware lasten worden door de mannen op het hoofd, door de vrouwen op de schouders gedragen; bij het bevredigen van eene kleine natuurlijke behoefte staan de vrouwen recht op en de mannen gaan zitten. Hun stoelgang verrichten zij in de huizen, terwijl ze op de straat eten; want zij zijn van oordeel, dat men hetgeen onwelvoegelijk doch onvermijdelijk is in het verborgen, hetgeen daarentegen niet onwelvoegelijk is, in het openbaar moet doen. Geene vrouw bekleedt eenig priesterlijk ambt, noch bij mannelijke, noch bij vrouwelijke godheden; bij beiden zijn mannen alleen daarmee belast. De zoons zijn niet verplicht om de ouders te onderhouden, als zij niet willen, maar de dochters worden daartoe gedwongen, ook al willen ze niet.

De priesters der goden laten overal elders hun haar groeien, maar in Egypte scheren zij zich. Bij de andere menschen is het de gewoonte, dat in den rouw de naaste betrekkingen hun hoofd scheren; de Egyptenaars laten bij een sterfgeval de haren van hoofd en baard groeien, terwijl zij overigens geschoren zijn. De andere menschen leiden een van de dieren afgezonderd

2*

Sluiten