Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iieelen loop der Egyptische geschiedenis, die vele tientallen van eeuwen omvat. De koningen zeiven vonden liet niet dan natuurlijk, wanneer hun de schatting van zulk eene hulde hetaald werd; zij maakten daarop zelfs aanspraak en bouwden derhalve tempels ter eere hunner voorvaderen; een enkele hunner richtte een tempel voor zich zelf op. Zóó wijdde koning Thutmosis III den god. d. i. den koning Sesortosis II een tempel, en beval dat een regelmatige offerdienst te zijner eere zou worden ingesteld. Koning Amenophis III ging nog verder; hij bouwde in Nubië voor zich zelf een heiligdom.

Ook de paleizen, die de koningen lieten bouwen, geleken in hunne inwendige inrichting volkomen op de tempels. Het eenige onderscheid bestond hierin, dat eetzalen, bibliotheken, enz. zich aan de voorhoven en gaanderijen aansloten.

De buitensporigste vereering van de koningen als godheden treffen wij in den tamelijk fabelachtigen staat Meroë in Ethiopië aan, welke, volgens Herodotus, ongeveer zestig dagreizen stroom-opwaarts boven Elephantine lag, en welks instellingen met die der Egyptenaars nauw verwant waren.

Diodorus verhaalt ons: «In Meroë kozen de priesters uit hun midden de edelsten uit; onder dezen duidde de Godheid dengene aan. die koning zou worden en het volk koos hem. Van den oogenblik af, waarin bij den troon besteeg, werd hij als een god aangebeden, daar hel volk geloofde, dat de goddelijke voorzienigheid hem de heerschappij verleend had. Hij was heer over leven en dood zijner onderdanen. Al mocht hij zelf de straf niet voltrekken. dit beperkte zijne macht in geenen deele.' Hij zond slechts een zijner dienaars met een teeken des doods naar den misdadiger, en nauwelijks had deze liet teeken gezien, of bij was verplicht om naar buis te gaan en zich van het leven te berooven. Zoodra een Ethiopiër beproefde zich door de vlucht aan het doodvonnis te onttrekken, werd hij een voorwerp van de algemeene verachting. Toen eens de moeder van een ter dood veroordeelde bemerkte, dat deze van plan was uit het land te vluchten, snoerde zij hem met den gordel de keel toe; bij waagde het niet een vinger te verroeren maar liet zich op deze wijze dooden.

Verloor de koning, door welke oorzaak ook. een lid van zijn lichaam, dan moesten allen, die hem omringden, zich op dezelfde wijze verminken; stierf hij, dan maakten zijne vrienden vrijwillig een eind aan bun leven. Dientengevolge — zoo schrijft Diodorus — ontstaat er ook in Ethiopië niet licht eene samenzwering tegen den koning, dewijl zijne vrienden voor zijne veiligheid even bezorgd moeten zijn als voor hunne eigene. Zeker eene wijze instelling!

De goddelijke stralenkrans, die liet hoofd van Meroë's koningen omscheen, belette intusschen niet, dat de priesters als dienaars van eene nog hoogere godheid den koning mochten aankondigen, dat bij sterven moest, dewijl dit door de goden was geopenbaard en niemand der stervelingen zulk een gebod der onsterfelijken in den wind mocht slaan. Dan gehoorzaamden de koningen aan de priesters en doodden zich met eigen hand.

Eerst ten tijde van Ptoloineüs II verzette zich. volgens Diodorus' verbaal, koning Ergpmenes tegen liet bevel zijner priesters; bij drong aan het hoofd zijner sold^en in hun heiligdom binnen, liet hen nederhouwen en heerschte van dien vig af zonder zich oin het woord der priesters te bekommeren.

\an frulk eene buitensporige goddelijke vereering van de koningen, waarop de zelfvefminking der koninklijke vrienden in Meroë ons wijst, wisten de Egyptenaars niets. Hiertegenover staat, dat de Egyptische koningen, in plaats van aan,.de priesterkaste ondergeschikt te zijn. aan bel hoofd van dat machtig lichaam stonden. Met de koninklijke waardigheid was, om ons van eene hedendtiagsche uitdrukking te bedienen, die van Hoofd der kerk verbonden.

De priesters waren de dienaars, zelfs de persoonlijke dienaars van den koning. Geene slaven, neen! de zonen der aanzienlijkste priesters omringden den gebieder.

Sluiten