Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zulk eene gezonde philosophie als Amasis bezaten echter maar weinige koningen. De meeste schikten zich met slaafsche onderwerping naar de heerscliende gebruiken. Te meer achtten zij zich hiertoe verplicht, dewijl na hun dood een streng gericht over hen gehouden werd. Wilden zij de hoop koesteren dal eenmaal aan hun lijk koninklijke eer zou bewezen worden, dal liet zijne rustplaats vinden zou onder de reusachtige steenhoopen der pyramiden, die zij tot vereeuwiging van hunnen roem gebouwd hadden, dan moesten zij zich wel naar de voorvaderlijke gewoonten voegen. Wanneer de koning gestorven was, bleef het Egyptische volk 72 dagen lang in diepen rouw verzonken. Men sloot de tempels en staakte de offers; geen enkel feest werd gevierd; het volk scheurde zijne kleederen; mannen en vrouwen bestrooiden het hoofd met aarde en trokken bij honderdtallen rond. klaagliederen zingend, waarin de deugden des gestorvenen geprezen werden. Vleesch- en meelspijzen waren in dezen tijd verboden, men onthield zich van wijn en van elke uitgezochte spijs, zelfs van de zóó geliefde en noodzakelijke baden. In één woord, van elke genieting, hoe ook genaamd, moest men in die dagen afstand doen.

Gedurende die 72 dagen werden de toebereidselen tot de luisterrijke begrafenis gemaakt. Eindelijk werd het koninklijke lijk in de doodkist voor den ingang van het graf ten toon gesteld; de priesters en het volk plaatsten zich in het rond: er werd gericht gehouden over den doode. Nu was een ieder gerechtigd om klachten in te brengen. De priesters begonnen niet loftuitingen op den overledene. Meestal stemde het volk daarmee in. Had echter de koning zich veracht of gehaat gemaakt, dan ging er een wild geschreeuw op, en dan mocht de koning niet in de voor hem bestemde grafkamer worden bijgezet. Van daar komt het dan, zegt Diodorus, dat de opvolgers van zulk een koning veelal recht en billijk handelden, uit vrees dat nog na hun dood hun lijk beschimpt en hun naam met schande overladen zou worden. De Egyptische koningen hadden blijkbaar meer eerbied voor hel gericht des volks na hun dood dan vele latere vorsten voor het gericht der geschiedenis.

De koning, die als de plaatsvervanger der godheid op aarde, ja als eene godheid in persoon over het leven en den dood zijner onderdanen beschikte en de opperpriester en wetgever zijns volks was, bezat ook den grondeigendom in het gansche land. Evenwel was hij ook hier aan zekere beperking onderworpen. Een deel van liet land was als eene niet-schatplichtige bezitting aan de kasle der krijgslieden toegewezen; van een ander deel (een derde gedeelte van den geheelen bebouwden grond, en daaruit wel het beste) waren de opbrengsten tot onderhoud van de priesters en tempels bestemd. Van alle o\erige landerijen hieven de koningen een vijfde deel van de geheele opbrengst, als eene schatting die in hunne schatkist vloeide.

Had de kaste der krijgslieden oorspronkelijk een in de behandeling der wapenen bedreven adel des lands gevormd, langzamerhand was zij tot een een\oudigen soldatenstand afgedaald. Bij de slrenge afscheiding der standen Egypte bleef het recht en de verplichting om tot verdediging des lands de wapens te dragen erfelijk in eene bepaalde kaste. Elke familie, die tot baaibehoorde, ontving van den koning eene bepaalde uitgestrektheid grond, 7 morgen, ter bebouwing.

Terwijl zij uit de opbrengst daarvan in haar onderhoud voorzag, waren hare mannelijke leden tot den krijgsdienst verplicht, waartoe zij wapens uil de koninklijke tuighuizen ontvingen. Deze familiën vormden een ontzaglijk leger, dat in het midden van de 5'1" eeuw v. C. wel 400,000 man sterk was. De kaste der krijgslieden was verdeeld in twee afdeelingen, de Hermotybiërs, die 150,000 man en de Kalasiriërs, die 250,000 man in het veld konden brengen. Iedere afdeeling moest jaarlijks 1000 man voor de lijfwacht des konings leveren; deze werden gedurende hun diensttijd op des konings kosten op onbekrompen wijze onderhouden.

Sluiten