Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra de koning een veldtocht wilde ondernemen, riep hij de krijgslieden tot den strijd op, die aan dit bevel onvoorwaardelijk moesten gehoorzamen. Wij zien gedeeltelijk uit de berichten van Herodotus en Diodorus, gedeeltelijk uit de beelden op de gedenkteekenen, dat de kaste der krijgslieden reeds in de vroegste tijden iu staal was om een wel uitgerust, aan tucht gewend en volgens de regelen der krijgskunst geoefend leger in het veld te brengen. De soldaten waren met helmen, schilden en lansen, met kromme messen en met bogen gewapend. Ruiterij was er bij de Egyptische legers niet; daarentegen brachten de koningen strijdwagens in liet veld. waarop boogschutters geplaatst waren. De boog was over 't algemeen het lievelingswapen der Egyptenaars; zeer dikwijls oefenden zij zich daarmee in het schijfschieten. Bij den aanval schetterden de trompetten en in gesloten gelederen rukte het voetvolk voorwaarts. Hij de belegering van steden had men kunstige werktuigen. de stormrammen tol het rammeien van de poorten, de schutdaken, welke de bestormers boven zich hielden om zich tegen liet geschut der belegerden en tegen de nu en dan naar beneden geworpen zware steenen te beveiligen.

Naast de kaste der krijgslieden en even streng van deze als van het overige volk afgezonderd, stond de kaste der priesters. Tot haar behoorden niet alleen de eigenlijke priesters, maar allen, die in eenig opzicht tot de heiligdommen in betrekking stonden, alle geleerden en schriftuitleggers, de rechters, artsen en zelfs de bouwmeesters. In den boezem der priesterkaste ontstonden dientengevolge nieuwe kasten, die op hare beurt streng van de overige bleven afgescheiden; — ieder ambt toch ging als bij erfenis van vader op zoon over. Niet alleen de hooge waardigheid van den opperpriester, ook het onaanzienlijke ambt der oppassers van de heilige dieren, en van hen die inet de zorg voor het balsemen eu begraven van de dooden waren belast, was erfelijk iu hetzelfde geslacht. In de graven heeft men stamboomen gevonden, die bewijzen, dat een ambt soms door vele geslachten heen bij erfenis van den één op den ander overging. Zoo heeft men den stamboom van een bouwmeester gevonden, toebehoorende aan eene familie, waarin door 2'j geslachten heen het ambt van bouwmeester erfelijk geweest was. De kastengeest was bij de Egyptenaars zóó diep ingeworteld, dat nog in de 7de eeuw v. C. eene nieuwe kaste, die der tolken, ontstond, nadat Psammetichus een aantal Egyptische knapen bij Ionische huurlingen in de leer gedaan had, die later als tolken dienden.

De ambten van den eigenlijken priesterstand, die door den koning bezoldigd. maar daarenboven door bet vroom geloof des volks nog met rijkelijke geschenken begiftigd werd, waren buitengemeen talrijk. Dij eiken tempel was een opperpriester, die tegelijk profeet was, een tempelschrijver, een sterrenwichelaar, een zanger en een stolist, die voor de bekleeding van de godenbeelden moest zorgen. Op de monumenten geven ons de afbeeldingen van godsdienstige optochten de eigenaardige onderscheidingsteekenen van die ambten te aanschouwen. De tempelschrijver werd b. v. door eene pen aan het hoofddeksel en door eene boekrol, de sterrenwichelaar door een tijdmeter aangeduid.

Naast deze hoogere klasse van priesters stonden anderen van ondergeschikten rang: de pastophoren, die bij de processies de godenbeelden moesten dragen, en die tegelijkertijd artsen waren, de oppassers van de heilige dieren, de tempeldienaars, en de beambten, wien het balsemen was opgedragen.

De priesterkaste stond in geheel het land in nog liooger aanzien dan die der krijgslieden. Van hunne bezoldiging en van de rijke geschenken, die hun van de. zijde des volks toevloeiden, leidden de priesters een aangenaam en onbekommerd leven. Daartegenover stond echter, dat hun meer dan één moeilijke plicht was opgelegd. Bij de oude Egyptenaars bestond een groot aantal lastige spijs- en reinheidswetten, waarover wij straks uitvoeriger zullen

Sluiten