is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis der wereld, aan het volk verhaald

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tempel te Memphis liet heiligste dier van geheel Egypte, een stier met name Apis. In den tempel te Memphis had deze een afzonderlijk heiligdom.

De Apis was geheel zwart; op het voorhoofd moest hij eene witte plek hebben, onder de tong een uitwas, dat op de Scarabeüs van Ptali geleek; op den rug moest zich eene andere witte plek van bepaalden vorm en in den staart haar van tweeërlei kleur bevinden.

Zulk een bijzondere stier was natuurlijk zeer zeldzaam. Stierf de Apis. dan was er een algemeene rouw in het land, die 70 dagen duurde. Het lijk van het dier werd gebalsemd, en met grooten luister bijgezet. Nu wachtte den priesters eene moeilijke taak: het kwam er op aan een nieuwen Apis te vinden, en dit was daarom dubbel lastig, wijl slechts eene koe, die nog niet gekalfd had, hem ter wereld mocht brengen. Vond men eindelijk een stierkalf, dat aan alle vereischten beantwoordde, dan werden er prachtige feesten gevierd. Veertig dagen lang liet men den jongen stier op eene heerlijke weide grazen; gedurende dien tijd mochten ook vrouwen zich voor hem vertoonen, iater was haar dit verboden. Eene boot met een verguld tentdak voerde den stier naar Memphis, waar hij onder het vieren van schitterende feesten, die zeven dagen aanéén duurden, ontvangen werd. Zoolang de Apis leefde, werd jaarlijks dit feest herhaald. Langen tijd heeft men gemeend, dat de berichten omtrent den Apisdienst, die ons door de oude schrijvers overgeleverd zijn, niets dan fabelen behelsden. Maar latere onderzoekingen hebben niet minder dan 64 Apis-mummiën in sarcophagen van graniet aan het licht gebracht, terwijl bovendien de opschriften der sarcophagen en grafkamers voor de juistheid der vroegere berichten getuigen.

Nog van een ander heilig dier, den vogel Phoenix, willen wij hier melding maken. Volgens de sagen der Grieken kwam hij slechts ééns om de vijfhonderd jaar uit het Oosten naar Egypte en verbrandde zich daar in den tempel van Heliopolis, om verjongd weer uit de ascli te verrijzen. De Egyptenaars noemden dezen vogel Bennu. Op de monumenten wordt hij veelvuldig aangetroffen als een reiger met lange vederen aan het achterhoofd.

In het nauwste verband met het godsdienstig geloof der Egyptenaars stond de zorg, die zij voor hunne dooden droegen. Zij geloofden aan een voortbestaan van de ziel na den dood *). In verband hiermede stond waarschijnlijkst hunne gewoonte om de lichamen der overledenen met de grootste zorgvuldigheid tegen bederf te beveiligen en hun eene koele en veilige grafplaats te verschaften. Ja, zij besteedden aan hunne woonhuizen minder zorg dan aan het bouwen van de graven; want de Egyptenaars hielden — volgens de meening van Diodorus — den tijd des levens voor kort, den tijd na den dood daarentegen voor zeer lang, en noemden daarom de woningen der levenden herbergen, de graven der dooden eeuwige huizen.

Zoodra een Egyptenaar gestorven was — verhaalt ons Herodotus — barstten de vrouwelijke bloedverwanten in luide jammerklachten los; de vrouwen besmeerden haar hoofd en aangezicht met drek, vervolgens lieten zij den doode in huis achter, om met diens mannelijke bloedverwanten door de stad rond te loopen, en sloegen zich op de ontbloote borst, terwijl ze huilden en schreeuwden. Eerst nadat dit openlijk rouwmisbaar was afgeloopen, brachten zij het lijk tot hen, die met het balsemen belast waren. Deze lieden, die — gelijk wij ons herinneren — tot de priesterkaste behoorden, oefenden in die balseming een kunstig en voordeelig handwerk uit; zij bezaten eene geheele verzameling van modellen: gebalsemde dooden, die in schilderijen op hout afgebeeld waren. Er bestonden drie wijzen van balseming, die belangrijk in prijs verschilden; natuurlijk roemden zij de duurste als verreweg de beste, om zoo de rouwdragenden daartoe over te halen.

*) De meening, vroeger algemeen omhelsd, dat de Egyptenaars aan zielsverhuizing geloofd zouden hebben, berust op een misverstand.

3*