Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook in latere tijden was dit meermalen het geval. Al wilden wij dus de zeer verdachte koningslijsten van Manetho als juist erkennen, dan zouden zij toch voor de tijdrekening der Egyptische geschiedenis onjuiste en dus onbruikbare opgaven aanbieden.

Het behoort niet tot onze laak de geschiedvorschers bij hun moeilijken arbeid te volgen. Wij vergenoegen ons gaarne met de uilkomsten van hun onderzoek, en gewis beteekent het al veel, dat wij ten gevolge van hunne nasporingen als zeker kunnen aannemen, dat reeds meer dan 3000 jaren v. C. in Egypte een welgeordende slaat beslaan heeft. Max Duncker neemt, in zijne geschiedenis der Oudheid, voor de vestiging van Menes' heerschappij het jaar 3233 v. C. aan. 11 1

Menes was volgens Manetho afkomstig uit Tliis, dat een weinig beneden Thebe lag. Van daar is dus de stichting van het eerste Egyptische rijk uitgegaan, hetwelk intusschen spoedig zijn middelpunt vond in Memphis. Want Menes wordt als de stichter van Memphis genoemd; bij heeft, volgens de overlevering, den Nijl in oostelijke richting afgedamd en op den hierdoor aangewonnen grond de groole slad met den tempel van Ptali gebouwd. Hij werd, zooals Manetho verhaalt, opgevolgd door zijn zoon Atholis, wien de uitbreiding van Memphis en het bouwen van den kouingslwrg toegeschreven wordt.

Met hoeveel sagen dit gedeelte der geschiedenis ook vermengd zij, toch weten wij met zekerheid, dat Memphis het middelpunt van het eerste Egyptische rijk is geweest. Bijna duizend jaren verloopen er nu na de stichting van dit rijk, zonder dat de duisternis, waarin zijne geschiedenis gehuld is, door zekere belichten wordt opgehelderd. Twaalf koninklijke geslachten regeerden deels naast, deels na elkander. Van de personen hunner afstammelingen komen wij echter weinig of niets te weten; zelfs hunne namen zouden alle vergeten zijn, hadden deze koningen niet door hunne onvergankelijke bouwwerken, de pyramiden, hunne nagedachtenis vereeuwigd. Zóó klinken nog in onze dagen de namen der koningen Chufu, Chafra en Menkera, de stichters van de drie grootste en schoonste pyramiden bij Gizeh. ons in de ooren *).

Reeds de ouden ^ knoopten aan den bouw van de pyramiden meer dan ééne legende vast. Vooral is dit het geval met de schoone pvramide van Menkera, dien de Grieken Mycerinus noemden. De kleinste, doch fraaiste der drie pyramiden bij Gizeh zou, volgens het verhaal der Grieken, door eene schoone vrouw zijn gesticht. Sommigen meenden dat eene koningin, met name Nitokris, anderen dat eene verleidelijke boeleerster, wier naam Rhodopis (rozenwang) voor hare schoonheid getuigt, dit zou gedaan hebben.

Herodotus verhaalt ons van Nitokris, dat zij haren broeder, die door de aanzienlijken van Egypte vermoord was, in het bewind was opgevolgd. Om dezen moord te wreken, had zij een onderaardse!) vertrek van grooten omvang gebouwd, en allen die medeplichtig aan den moord waren, tot de plechtige inwijding van dat gebouw uitgenoodigd. Met een luisterrijk feest zou de voltooiing van bet werk gevierd worden. Maar nauwelijks waren de gasten bijéén, of Nitokris liet plotseling door een geheim kanaal het Nijlwater in het vertrek stroomen, met het gevolg dat alle gasten verdronken. Na die wraakoefening wierp Nitokris zich in een met asch gevuld vertrek, waar zij zelve den dood zocht en vond.

Manetho deelt ons mede, dat Nitokris de derde pyramide tot hare grafstede bestemd heeft, en dat zij de schoonste aller vrouwen met blanke gelaatskleur en roode wangen is geweest.

*) Chafra regeerde van 2819 tot 2790, Chufu van 2790 tot 2763, Menkera van 2763 tot 2782 v.C.

Sluiten