Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangelegd, grootere bassins moesten tot verzwelging van üen plotselijken toevoer van water gegraven worden dan in Egypte.

De ligging van het land tusschen twee groote rivieren, die in de Perzische golf uitloopen, bevorderde den handel. Deze breidde zicli ook daarom aanhoudend uit. dewijl het land tusschen den Euphraat en den Tigris niet — gelijk Egypte — door woestijnen was ingesloten. Hierdoor konden de bewoners hun land niet voor den vreemdeling sluiten, maar werden zij van zelf tot een levendig verkeer met hunne naburen genoopt.

Het volksleven moest zich in zulk een landstreek meer veelzijdig ontwikkelen dan dat der Egvptenaars. Dc overblijfels van reusachtige bouwwerken, waarvan bet onderzoek in dezen oogenblik nog op verre na niet ten einde is gebracht, vergunnen ons. nevens de vaak onzuivere overleveringen van oude geschiedschrijvers, eenen blik in het staatkundig en maatschappelijk leven deivolken, die in den alleroudsten historischen tijd en zelfs nog vroeger in die landen gewoond hebben. Het zijn de Babyloniërs, die het land aan den midden- en benedenloop der beide rivieren — het tegenwoordige Irak-Arabi — bewoonden, en de Assyriërs wier woonplaats ongeveer het tegenwoordige Kurdistan en Mosoel. ten Oosten van den Tigris was; een land dat in vruchtbaarheid slechts weinig bij Babylonië ten achter stond. Zijne bergachtige gedeelten, die zich naar liet Noorden en Oosten uitstrekten, onderscheidden zich door een aangenaam en gezond klimaat, terwijl de zuidelijke, rijkelijk door rivieren besproeide streken weelderige vlakten aanboden.

Twee ontzaglijk groote steden verhieven zich in oude tijden aan den oever van den Euphraat en den Tigris, wereldsteden, gelijk de tegenwoordige tijd niet weder in het leven heelt geroepen. Het waren Babel of Babyion, de hoofdstad van Babylonië aan den Euphraat, en Ninivé, de koningsstad der Assyriërs aan den Tigris. Beide zijn sinds lang vervallen. Slechts puinhoopen wijzen de plaats aan. waar zij eens gestaan hebben, maar nog heden stellen deze bouwvallen ons in staat om ons eene voorstelling te vormen van de reusachtige gebouwen, die hier vóór duizenden jaren zijn opgetrokken, al konden zij dan ook niet, zooals de Egyptische pyramiden, bijna ongedeerd den tand des tijds wederstaan.

De Egyptenaars bezaten een hoogst doelmatig, onvergankelijk bouwmateriaal in de reusachtige rotsblokken, die zij uit de naburige gebergten groeven. De Babyloniërs en Assyriërs moesten zeiven den steen uit de vette klei van hun land vormen. Gedeeltelijk droogden zij deze in de lucht, gedeeltelijk bakten zij ze in steenovens; terwijl zij de uitgebreide asphaltlagen, aan den oever van den Euphraat, gebruikten om zich een sterk hechtenden mortel te verschaffen. Het kon niet anders, o! de voortbrengselen hunner bouwkunst waren hierdoor van die der Egyptenaars in meer dan één hoogst belangrijk opzicht onderscheiden. De Babyloniërs en Assyriërs moesten de buitenmuren hunner gebouwen veel zwaarder maken en deze door het bekleeden met gips en kalksteenplaten tegen den invloed van wind en weder beveiligen. Deze bekleeding werd met beeldhouwwerken en opschriften versierd, van welke er vele voor ons bewaard zijn. Zij bewijzen ons belangrijke diensten bij het opsporen van de geschiedenis dier lang vervlogen dagen.

De door deze volken gebezigde schrijfteekens zijn geheel verschillend van die der Egyptenaars; zij zijn veel eenvoudiger dan de hiëroglyphen en komen veel meer met het nieuwere schrift overeen. Ze bestaan in rechte, korte, spitstoeloopende strepen, die meestal een lettergreep aanduiden en in eene ontelbare menigte ontdekt zijn; het is het zoogenaamde spijkerschrift *).

De ruïnen van Babyion en Ninivé zijn met de teekens van dit spijkerschrift overdekt. Wij treffen ze aan op de beeldhouwwerken, op edelgesteenten,

*) Over de verschillende soorten van schrijfteekens vergelijke de belangstellende lezer: Dr. L. S. P. Meijboom, verhandeling over den oorsprong van het A, B, C, te Amsterdam, bij Portielje.

Sluiten