Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkhout uitmaakten en hieruit slechts balken ter lengte van 30 tot 40 roei konden gezaagd worden. De binnenmuren der zalen en vertrekken waren ongeveer 12 voet boog en met kalksteenen of albasten platen bedekt, waarop sclioone schilderstukken of beeldhouwwerken waren aangebracht. De voorstellingen werden meermalen door opschriften in spijkerschrift verklaard. De balken van het dakwerk waren rijk versierd met snijwerk in hout of ivoor; in de paleizen waren ook gouden en zilveren platen, soms zelfs edelgesteenten aangewend om de versieringen nog kostbaarder te maken.

Een vreeselijke brand beeft bij de verwoesting van Ninivé de heerlijke paleizen aan vernietiging prijs gegeven. Verkoold braken de balken der daken door midden; deze stortten naar beneden op het plaveisel der vertrekken; vervolgens werd de buitenste bekleeding door den wind van de muren losgemaakt, de regen spoelde langzamerhand de ongebakken steenen weg en zóó zijn, in den loop van duizenden jaren, de paleizen van Ninivé lot aardheuvels geworden. Maar onder het stof dier heuvels bleven vele deelen der gebouwen beveiligd; vele beeldhouwwerken en opschriften zijn daardoor voor verdere vernietiging bewaard, en de opgravingen, welke vooral de Engelschman Layard in de ruïnen van Ninivé heeft laten doen. brachten dientengevolge kostbare schatten voor de geschiedenis van het land aan het licht. Ook hier zijn wij heden nog in staat om in de beelden en opschriften, als in een opengeslagen boek. te lezen; uit stot en puin rijst het leven der oude Babyloniërs en Assyriërs voor onze verbeelding op.

Hetzelfde lot als Ninivé heeft ook vele andere steden van Babylonië en Assyrië getroffen. Ook daarvan zijn veelvuldige overblijfselen voor ons bewaard, die ons van het leven der oude bewoners verhalen. Aangaande de oudste geschiedenis van het Babylonische rijk ontvangen wij slechts enkele berichten door deze gedenkteekenen uit het verleden en door sagen, die op geene historische waarde aanspraak kunnen maken. Volgens de overlevering des Bijbels was Nimrod, »de geweldige jager voor den Heer" de grondlegger van het Babylonische rijk. Iets anders bericht ons Berosus, een priester van Bel, die gelijktijdig met Manetho in de eerste helft der 3dc eeuw v. C. leefde, en die de geschiedenis van zijn vaderland in het Grieksch heeft te boek gesteld. Van het werk, dat eens uit drie boeken bestaan heeft, zijn slechts enkele fragmenten tot ons gekomen.

Berosus verhaalt in de eerste plaats de geschiedenis van den oorsprong der wereld, en het is der moeite waard, zijne voorstelling met de bijbelsche overleveringen te vergelijken. In den beginne was de wereld niets dan duisternis en water; afgrijselijke dieren leefden in den chaos met menschen van de zonderlingste vormen. Sommige van deze hadden twee vleugels, andere zelfs vier vleugels en twee aangezichten; weer andere waren van paardevoeten voorzien; zij hadden van achteren de gedaante van een paard, van voren die van een mensch.

Visschen met menschelijke hoofden en aangezichten, paarden met hondekoppen, draken en andere monsters leefden op de bovenwereld. Over haar voerde eene vrouw, met name Omorka, gebied. Op eenmaal deed Bel de duisternis en de vrouw Omorka middendoor splijten; uit het ééne deel maakte hij den hemel, uit het andere de aarde; hij plaatste de sterren aan den hemel, leidde het water af en verdeelde het tusschen de verschillende landen. Zoo schiep en ordende bij de wereld. De monsters kwamen door de werking van het zonlicht om, en daar het land nu onbewoond was, hieuw Bel zijn eigen hoofd af; op zijn bevel vermengde één der goden het uit het hoofd stroomende bloed met aarde en vormde daaruit menschen en dieren.

In Chaldaea *) woonden menschen van verschillenden stam, maar zij

*) I)e landstreek aan den beneden-Euphraat tot aan den Perzischen zeeboezem werd Chaldaea genoemd.

Sluiten