Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden, waren zij gedwongen om met haar Ie leven. Was liet hun volstrek! onmogelijk zich met de leelyke vrouw Ie verdragen, dan moesten zij het ontvangen geld teruggeven. Dit was, volgens Herodotus meening, het schoonste gebruik der Babyloniërs.

Naast Bel en Mylitta vereerden de Babyloniërs nog andere goden, zooals den krijgsgod Nergal, den schrijver des hemels Nebo, enz.

In zeer nauw verband met de aanbidding van de godheden slond bij hen de dienst van de sterren. Zij meenden namelijk dat deze de lotgevallen der menschen en de verschijnselen in de natuur beheerschten. De zon en de planeet Saturnus waren aan Bel, de maan was aan Mylitta gewijd; of juister, deze hemellichamen werden als de bijzondere vertegenwoordigers dezer godheden beschouwd.

Uit de verschillende constellalies der hemellichamen voorspelden de Chaldaeesche priesters de toekomst; daarin lazen zij den wil der goden. De sterrenwichelarij was dus de eigenlijke wetenschap dier priesters, die mei onvermoeiden ijver de wijde ruimten des hemels bespiedden en daardoor ook eene kennis van de sterrenkunde verkregen, waarop de volgende eeuwen hebben voortgebouwd. Het bepalen van de bedoeling der teekens van den dierenriem, ja de geheele uitvinding van deze laatste is hun werk.

Ook eene vaste tijdrekening was de vrucht hunner astronomische studiën, i t)e Ghaldaeërs hadden tot dit doel reeds eene soort van uurwerk uitgevonden: I in eene vaas wogen zij eene zekere hoeveelheid water met de uiterste nauwkeurigheid af, en lieten dit dan langzaam en gelijkmatig wegloopen. De priesters wisten den loop der gesternten mei vrij groote zekerheid te berekenen; met eene bewonderenswaardige nauwkeurigheid kondigden zij zelfs naderende maansverduisteringen vooraf aan.

Dat de priesters der Babyloniërs, die door de Grieken steeds Chaldaeërs genaamd werden, ten gevolge van hunne uitstekende wetenschappelijke kennis, die hen ver boven den trap der beschaving van het volk verhief, in den staat een zeer hoog standpunt hebben ingenomen, is eene zeer waarschijnlijke onderstelling. al wordt ons daaromtrent van elders ook niet het minste meegedeeld. Hun leven was aan den godsdienst gewijd; men meent dat hun ambt^erfelijk geweest is. In Babyion bezaten zij eene afzonderlijke wijk. Door hunne bedrevenheid in het uitleggen van drooinen en door hunne voorspellingen, zoowel uit den loop der hemellichamen als uit de vlucht der vogelen, oefenden zij ongetwijfeld een krachtigen invloed uit.

De godsdienst der Assyriërs stemde in hoofdzaak met die der Babyloniërs overeen. Ook zij vereerden boven andere godheden een drietal: Asur, Istar, en Ninip. Buiten deze godheden hadden zij echter nog hunne eigene goden, van welke wij hier alleen Sandon noemen, den Herakles der Grieken, den zonneheld, die de booze, verwoestende natuurkrachten overwint. Op de monumenten komt Sandon voor, bezig met het temmen of dooden van leeuwen.

Ook de afbeeldingen van Demonen en Geniën treffen wij op de puinhoopen van Ninivé aan. Uit hun midden verrijzen bovendien merkwaardige standbeelden, die de poorten der paleizen en de ingangen van vertrekken en zuilengangen paarswijze bewaken. Het zijn gevleugelde stieren en leeuwen mei menschenhoofden, leeuwen met den kop en de vleugels van een adelaar, en andere dergelijke beelden, waardoor de verschillende eigenschappen deigodheid, wijsheid, macht, enz. — in zinlijke vormen werden voorgesteld. Van het bijzondere, huislijke en maatschappelijke leven der Babyloniërs en Assyriërs weten wij zeer weinig.

Sommige gedenkteekenen der laatsten doen ons de gasten zien, aanliggende aan het vroolijke feestmaal, terwijl de dienaren hun de spijzen aanbieden, blders aanschouwen wij de werklieden, bezig met hel vervaardigen van tichelsteenen. Ook leeren wij hunne muziekinstrumenten kennen, namelijk eene soort van hakborden met 8 a 9 snaren bespannen; wij zien het rijk versierde

SntixKiuss. I. rj

Sluiten