Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zegen verspreidende en de verderf aanbrengende godheden smolten in laleren tijd in de voorstelling des volks tot één goddelijk wezen samen. Zulk een god, in wien de eigenschappen van Baal en Moloch vereenigd waren, was de Baal van Tyrus, volgens de Tyriërs de eerste koning hunner stad, wien zij onder den naam Melkart goddelijke eer bewezen, terwijl de Grieken hem aanzagen voor denzelfden persoon als hun Heracles (Hercules). Melkart is de God, die liet leven vernietigt om uit den dood het leven weer te voorschijn te roepen, die uit den zomer den winter, uit den winter weer den zomer voortkomen doet, wiens leven zich in den omloop der zon afspiegelt.

Ook Astarte en Aschera smolten in verloop van tijd. op dezelfde wijze als Moloch en Baal. tot ééne godheid samen. Toen het verkeer tusschen de verschillende steden der Phoeniciërs levendiger werd, vormde zich, gelijk uit den aard der zaak voortvloeide, uit de afzonderlijke, op elke plaats aangebeden goden en godinnen een kring van gemeenschappelijk aangebeden godheden, zeven in getal.

Ter eere hunner goden vierden de Phoeniciërs luisterrijke feesten, waartoe uit verre streken, zelfs uit de meest afgelegen Phoenicische koloniën, over land en zee tallooze gasten toestroomden. Bij die feesten werden de beelden der goden in statigen optocht rondgedragen, vervolgens werden reusachtige brandstapels opgericht, waarop men de offerdieren verbrandde. Zelfs die zonen van Phoenicië, die al sinds lang van hun vaderland vervreemd waren, wier voorouders zich reeds in de koloniën hadden neergezet, brachten nog hunne gaven aan de vaderlandsche godheden. Zóó verscheen elk jaar op het feest van Melkart in Tyrus een gezantschap van Carthagers, om den god dei' moederstad de tienden over te brengen.

Den goden kwam liet tiende deel der gezamenlijke inkomsten toe. Hiervan leefden de priesters, die tevens door de opbrengst der tot de tempels behoorende landerijen en dooi' bet aandeel van de otters, waarop zij aanspraak hadden, in hun onderhoud voorzagen. Zij moesten wel een overwegenden invloed op het geheele burgerlijke leven uitoefenen, daar liet in hunne macht stond menschenotters te vorderen en hiertoe de zonen en dochters der aanzienlijkste familiën, zelfs der koningen, op te eischen.

De even wreede als zinlijke godsdienst der Phoeniciërs was volkomen in overeenstemming met hel karakter des volks. De Phoeniciërs waren een handelsvolk; stoffelijk gewin was het eenige doel van hun streven; 0111 dit doel te bereiken ontzagen zij geen middel, al bestond het ook in bedrog en roof. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid ondernamen zij de gevaarlijkste tochten op onbekende zeeën en naar de meest verwijderde barbaarsche volken, om de producten van die landen op de voordeeligste wijze tegen de voortbrengselen van Azië in te ruilen. Met kostbare goederen bevracht keerden de schepen dikwijls na eene reis van vele jaren in het vaderland terug. Maai' nu gaven de onversaagde zeelieden, na aan al die gevaren ontkomen te zijn. zich ook onbeteugeld aan het genot over. Het verwerven van rijkdommen, 0111 die daarna in losbandige zwelgerijen te verkwisten, maakte liet eenig levensdoel der Phoeniciërs uit; geen enkel bewijs van vatbaarheid voor hoogere behoeften en edeler neigingen verzoent ons met het grof zinlijk, alleen op het stollijke gericht karakter van dit volk.

Reeds in de vroegste tijden ontmoeten wij de Phoeniciërs als ervaren zeelieden. Waarschijnlijk voeren zij eerst op hunne kleine yisschersbooten alleen langs de kusten om de vischvangst uit te oefenen; spoedig echter waagden zij zich verder op zee.

De prachtige wouden, die de hellingen hunner bergen versierden, waarin li'otsche ceders en cypressen een overvloed van hout voor den scheepsbouw opleverden, lokten hen spoedig lot het bouwen van grootere vaartuigen uil.

"■Hun oudste schip, dat ons bekend is, was de Gaulos. Het bleef als koopvaardijschip ook in tateren lijd in de vaart en onderscheidde zich door zijn

Sluiten