Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan te knoopen en Ie onderhonden. Reeds in de allervroegste lijden zagen de Plioeniciërs dit in. Tot hun geluk waren zij zeer goed in staat om in verre oorden koloniën te stichten zonder hun eigen land te ontvolken; want uit het binnenland van Syrië werden telkens, zoowel door de krijgstochten der hgxptenaars als door binnenlandsche oorlogen, met de Plioeniciërs verwante volksstammen naar de kusten gedrongen, die voor een genoegzaam aantal nakomelingen zorgden. . . ....

Eene op avonturen beluste menigte, die zeer geneigd was 0111 tiaar geluk in den vreemde te beproeven, trof men steeds in de Phoenicische steden aan. Zoo ontstond langzamerhand eene geheele reeks van Phoenicische volkplantingen, eerst op het nabijgelegen eiland Cyprus, vervolgens ook 111 meer verwijderde landen, als op de eilanden en kusten der Grieksche wateren, op de noordkust van Afrika, op Sicilië en Sardinië. Palenno en Cagliari zijn nog van die Phoenicische volkplantingen atkomstig. Overal werden handelsstations "evesli"d, welke men met vestingwerken omringde ten einde zich tegen de oorspronkelijke bewoners des lands Ie beschermen, en die allengskens tot aanzienlijke steden aangroeiden. De ondernemingsgeest liet den Phoeniciers geen rust- bij dreef hen verder naar het Westen. Zoo zeilden zij door de zui en van Hercules en ontdekten bel zilverland Tartessus Tarsis), bet land aan den Guadalquivir. dat hun rijke schatten opleverde; spoedig werd nu de Spaansche kust met Phoenicische kolonies bedekt, waarvan G^les Ladixl, liet middelpunt uitmaakte. ...

No" was de zucht naar avonturen bij de stoute zeevaarders niet bexredigti. In den Atlantischen Oceaan gekomen, wendden zij den steven noordwaarts en ontdekten de tineilanden, de zuidelijke kust van Engeland en de rranschNederlandsche kusten. Of zij hunne tochten ook tol de Oostzee uitgestrekt hebben, weten wij niet; bet is mogelijk maar niet bewezen. Men heelt dikwijls als bewijs daarvoor aangevoerd, dat de Phoeniciers handel hebben gedreven in den barnsteen. die aan de Oostzeekust gevonden wordt; liet is eclitei mogelijk, dat zij in dit kostbaar artikel handel hebben gedreven met de stammen die de Noordzeekust bewoonden, nadat deze op hunne beurt door ruilhandel met de bewoners der Oostzeelanden in liet bezit daarvan gekomen waren, mei slechts naar bet Westen, ook naar het Oosten richtten de Plioeniciërs hun koers. Van de Roode zee uit drongen hunne schepen tot aan den Indus door. en ook in de zuidelijke streken der aarde waagden zij zich. Onze lezers herinneren zich boe de omzeiling van Afrika door Phoenische schepen, op aansporing van den Egyptischen koning Necho, ondernomen en volbracht werd zie blz. 53).

De altijd wakkere handelsgeest van bel rustelooze volk was met dit scheepvaart, hoe uitgebreid ook, niet tevreden. Ook voor den landhandel wist hij zich wegen Ie ontsluiten. Door tusscbenkomsl van Phoenicischi karavanen werden de Egyptische en Babylonisch-Assyrische handelsailikelen geruild. De Phoenicische kooplieden drongen even onverschrokken in de woestijnen door, als hunne zeevaarders in onbekende zeeën.

Ten gevolge van dit alles werden de Phoenicische steden bet middelpunt van den geheeten handel der oude wereld. — maar van haar schandelijk^teii handel, den slavenhandel, evenzeer. Want de Plioeniciërs waren — wat alle volken der wereld oudtijds geweest zijn — gevoellooze sljmynluyuMaars en gewetenlooze zeeroovers. Zij waren er op uit aan onbekende kusten menschen te rooven, die zij dan weer in verre landen verkochten; ook kochten zij de krijgsgevangenen van bevriende stammen op, om die elders, vooral aan de Grieken, te verkoopen. Eene rijke winst door middel van den s]av .; landel leverde hun het gebied van den Kaukasus op. Mier kochten zi. 'noone. krachtige meisjes en knapen tegen billijken prijs, om die in andei streken aan den man le brengen, liet menschenvleesch werd in oude tijden niet duui betaald-, men bad er een genoegzamen voorraad van. Nog iu de !iap eeuw v. t..

Sluiten