Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin Abraham nu als vreemdeling omzwierf, zou eenmaal zijnen nakomelingen tot een onvervreemdbaar eigendom zijn. Ten teeken van dit verbond moest ten eeuwigen dage in zijn stam de besnijdenis in zwang blijven. Tegelijk beloofde God aan Abraham een zoon, die de stamvader van vele volken, ja van vele koningen zou worden. En zoo als de Heer gesproken had, geschiedde het. Op zijn honderdste jaar werd Abraham verblijd door de geboorte van een zoon. hem door Sara geschonken, dien bij Isaiik noemde, en overeenkomstig het ontvangen bevel op den achtsten dag na de geboorte besneed.

Tot op de geboorte van Isaak hadden rust en vrede in de tent des Aartsvaders geheerscht, maar nu was Sara beducht dat Ismaël het erfdeel van haren zoon zou verkorten. Zij eischte derhalve van haren echtgenoot, dat hij Hagar met haren zoon uil zijne nabijheid verwijderen en beiden aan hun lot overlaten zou. Abraham gehoorzaamde, hoe zwaar liet hem 0111 den wil zijns zoons ook viel; want de Heer gebood hem dil. Hij verdreef Hagar met Ismaël uit zijne tent en gaf hun niels dan een brood en een lederen zak vol water mede.

Diep mismoedig sleeple Hagar zich langs de onherbergzame vlakte voort; reeds was zij op het punt van te versmachten, — de waterzak was sinds lang geledigd. — reeds vreesde ze. dat haar knaap voor hare oogen zou bezwijken, toen een Engel Gods haar op eens vertroostend toesprak en haar eene bron aanwees, waaruit zij den bijna van dorst bezweken Ismaël drenkte. In den naam van God beloofde bij baar. dat haar zoon de stamvader van een groot volk zou worden. Ismaël wies op tot een voortreflijk schutter, hij woonde in de woestijn en nam eene vrouw uit Egypteland. Zijne afstammelingen waren de ruwe, Arabische roofstammen der woestijn.

Isaiik groeide op lol blijdschap van zijn vader. Maar zie. op zekeren dag sprak God lot Abraham: «Neem Isaiik, uwen zoon. uwen eenige, dien gij liefhebt, ga naar het land Morya, en offer hem aldaar tot een brandoffer op een der bergen, dien ik u wijzen zal."

Abraham gehoorzaamde den Heer; hoe dierbaar Isaak hem ook was, het bevel van God moest opgevolgd worden. Hij nam twee knechten en zijnen zoon Isaiik mede, belaadde een ezel met gekloofd hout, tot het brandotler benoodigd en trok naar de plaats die hem door den Heer aangewezen was. Op den derden dag der reize kwam hij op de aangeduide plek; hij sprak tol zijne knechten; »blijft hier met den ezel, ik en Isaiik zullen derwaarts gaan. en nadat wij daar aangebeden hebben komen wij weder tol u."

Hij liet het hout door Isaak dragen, terwijl bij zelf het mes in zijne band nam, en zoo gingen beiden naast elkander voort.

«Vader," vroeg Isaak. «bier is vuur en hout, maar waar is het lam ten brandoffer?"

«God zal zich zeiven een lam ten brandoffer voorzien." antwoordde Abraham, en beiden gingen verder.

Zóó kwamen zij op de plaats, waar de offerande volbracht moest worden. Abraham bouwde een altaar, stapelde liet bout er op. bond zijn zoon Isaak en legde hem boven op het hout. Reeds strekte hij de band uit naar bet mes om zijn lieveling te slachten, toen de Engel des Heeren hem van den hemel toeriep: «Laat af. sla uwe band niet aan den knaap en doe hem geen leed! Nu weet ik. dat gij God vreest en dat gij uw eigen zoon Hem niet onthouden hebt."

Op dil woord liet Abraham bet mes zinken, en toen bij omkeek, ontdekte hij een ram, die met zijne horens in de struiken achter hem verward was; dezen greep bij en offerde hem ten brandoffer in de plaats van zijn zoon.

Hoog bejaard sleel Abraham gelukkige dagen Ie midden der zijnen. Alleen de dood van zijne geliefde vrouw verstoorde dal geluk. Hij begroef haar in eene grot, die bij van de bewoners des lands, de Chetieten gekocht had, en nam vervolgens weer eene andere vrouw Ketura, die hem zes zonen schonk. Maar deze zonen lagen hem niet zóó na aan het hart als Isaak, dien hij tol

Strickfcss. I. 7

Sluiten